Het witte grensgebied tussen tijd en eeuwigheid (1997)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

HAD IK MAAR...


Een vrouw staat te huilen bij een graf. Toen de sabbat voorbij was en het buiten licht begon te worden, op de vroege zondagochtend dus, was ze naar het graf ge gaan. Waarschijnlijk had ze de hele nacht gehuild. Het was ook allemaal zo snel en onverwacht gegaan. Donderdagavond nog Pasen gevierd, en toen ineens opgepakt, snelrecht en vermoord, nog voor de sabbat. Geen afscheid had ze kunnen nemen. Ze was niet bij het paasfeest geweest. "Zou hij nog aan haar gedacht hebben?" Had ze hem nog maar even kunnen bedanken, even strelen, even horen dat hij ook van haar gehouden had, even haar naam door hem horen noemen. Het is niet te verdragen dat hij er definitief niet meer is.

ANDREAS DACHT DAT HET EEN GRAPJE WAS

Ze had gehoord dat de maaltijd van Pasen zo apart geweest was. "Net alsof hij een voorgevoel had gehad", zeiden ze, "net alsof hij de leerlingen had willen troosten." Tot het brood op tafel had hij gezegd: "Dit ben ik", en toen had hij het gebroken. Andreas had nog ge dacht dat hij een grapje maakte. Ze had het verhaal gehoord, maar die woorden waren niet tot haar gezegd. Hij had ook nog een stunt uitgehaald, echt iets voor hem. Hij was begonnen met de voeten van de leerling en te wassen. Dat had nog een hele consternatie gegeven. Maria moest even lachen; door haar tranen heen moest ze even lachen, want plotseling zag ze die geschrokken mannen voor zich, die het eigenlijk een schande vonden, maar Jezus had voet bij stuk gehouden. Zelfs toen Petrus aanvankelijk weigerde. "Als ik je dienaar niet mag zijn...", had Jezus gezegd, "dan ben je mijn volgeling niet."

TOELATEN DAT JEZUS JE DIENAAR IS

Typisch Jezus. Je moet toelaten dat hij niet je meester is maar je dienaar... Weer lachte Maria even, tussen de snikken door. Want wat die apostelen niet gelukt was, dat had zij wel gedaan: zij had ooit Jezus de voeten gewassen. Met balsem nog wel. Toen hadden diezelfde jongens wat zitten moppe ren. Misschien was het hele idee van die stunt wel door haar gekomen. De gedachte troostte haar en ze wierp een bange blik in de grafruimte. Opnieuw moest ze huilen. Heftiger dan eerst. Er klonk paniek bij. Enkele felle uithalen. Ze was bang geweest om het dode lichaam te zien, maar nu zag ze niets. Er lag geen dood lichaam. Het graf was leeg. "Zeg me waar hij is neergelegd... als jullie hem hebben weggehaald, zeg me dan waar..." Hartstochtelijk zoekt ze contact met de realiteit. Die ongelofelijke werkelijk heid, die nachtmerrie, die afschuwelijke marteling..., en niemand was erbij geweest; ze waren allemaal op de vlucht geslagen. Wat moet hij zich eenzaam hebben gevoeld. Ze wil hem zien.

EEN STEM UIT DE HEMEL

Ze wil zien dat hij dood is, ze wil hem balsemen en ze wil snikkend nog eens dank-je-wel zeggen, omdat hij haar begrepen had, om dat hij haar vergeven had, omdat hij haar een nieuw leven had gegeven. Want dat was hij ten voeten uit: hij gaf mensen telkens een nieuw begin. In die verwarring hoort zij ineens haar naam roepen. "Maria". Ze weet niet meer hoe ze vertellen moet wat er daarna gebeurt. Ze zag een tuinman, ze hoorde men sen praten, ze voelde paniek, maar vooral, ze hoorde haar naam noemen met zoveel mededogen en met zo veel respect, dat ze in alle verwarring zeker wist dat Jezus leefde. Hier, in deze tuin, in haar hart, bij zijn vrienden, maar zeker bij God. De evangelist Johannes probeert haar ervaring op te schrijven.

ER IS VEEL TE DOEN

Het is dan al bijna zestig jaar geleden ge beurd, misschien nog langer. Maar steeds helderder passen alle puzzelstukjes in elkaar. Hij krijgt langzaam zicht op Gods bedoeling. Het is een sereen verhaal geworden. Een moeilijk verhaal, vol ongerijmdheden, want de mensentaal is veel te klein, te hoekig, te lomp, te plat om te verwijzen naar het licht achter het licht, naar de vader achter de dood. Johannes probeert het net als Lucas en Marcus en Mattheus met diverse verhalen. Ze verschillen wat van elkaar maar het zijn allemaal getuigenissen van het leven. De dood is het einde. Maar na dat einde komt God en die schenkt leven. Verhalen op de grens van tijd en eeuwigheid, met woorden die tekort schieten omdat ze niet gaan over onze werkelijkheid, maar over God. Maria veegt haar tranen weg. Ze heeft haar naam horen roepen "Maria". Met veerkrachtige tred spoedt zij zich weg van het graf, het leven tegemoet. Er is veel te doen.

WAAR KOMT HET EI VANDAAN?

Lieve kinderen. Vogels bouwen in het voorjaar een nestje en gaan eieren leggen. Dan broeden ze die uit en er worden kuikentjes geboren. Kippen zijn ook vogels. Dus vroeger legden kippen alleen in de lente hun eieren. Maar ja, mensen zijn begerig. Dus ze zochten steeds een paar gekke kippen uit, die zich het hele jaar uitsloofden, en zo hebben we tegenwoordig kippen die van geen ophouden weten. Maar je begrijpt hoe erg de mensen zich vroeger op Pasen verheugden. Dan konden ze voor het eerst sinds een jaar weer eieren eten. En dan zeiden ze: Kijk, zo'n wit ei, dat lijkt wel op het graf van Jezus. Dat was uit een rots gehakt en een ronde steen was voor de deur gerold. Want uit een ei kan nieuw leven komen. En zo heeft God Jezus uit het graf gered. Dat kun je niet zien, dat moet je geloven. Hebben jullie al paaseieren geraapt...? Toen ik klein was zei mijn vader: "Met pasen komen de klokken uit Rome terug en die strooien de eieren uit." Maar ik geloofde mijn vader niet. Op 'n paasochtend gingen mijn broers en zussen in de tuin gingen zoeken, maar ik liep naar de wei achter de huizen van de overkant. Ik dacht: "Hier in de wei zijn er veel meer." Mooi niet dus. Geen enkel ei in de wei. En ook niet bij de protestantse buren. Nou, dat kan dus niet uit de klokken komen. Als de eieren uit de lucht vielen dan zouden er overal even veel liggen. Als God de eieren zou verdelen, dan zouden er net zoveel liggen bij kinderen in Indonesië als bij kinderen in Drenthe. Maar dat is niet zo. De eieren zijn niet eerlijk verdeeld. Dan zal er wel een soort paashaas zijn, dacht ik.