Tekens van leven (2000)

In ons dorp gaat er geen week voorbij of er beiert wel ergens een klokje ten afscheid. Dan verzamelen zich familie en vrienden voor het van de laatste eer en proberen in woorden en symbolen iets uit te drukken van hun waardering en dankbaarheid, maar ook van hun verdriet en soms van opluchting dat er een einde is gekomen aan een lijdensweg. Gelovigen en ongelovigen proberen ook iets uit te drukken van hun vertrouwen dat een mens niet voor niets geboren is. Dan blijkt de grens tussen geloof en ongeloof niet zo scherp. De een heeft misschien wat meer woorden voor dat vertrouwen dan de ander. Als er woorden vallen van "verrijzenis en eeuwig leven" dan gaat het niet over bijzondere inzichten, want we hebben wel woorden voor dit leven hier en nu, maar we hebben weinig of niets ter beschikking om te spreken over die andere, tijdloze wereld. Welke woorden moet je gebruiken om uit te leggen wat kleur is aan iemand die nog nooit gezien heeft, hoe moet je uitleggen wat geluid is aan iemand die nog nooit gehoord heeft? Er valt dus nooit iets te bewijzen.

Ook onder gelovigen zijn er maar weinig mensen die troost vinden in de gedachte dat de dierbare overledene op een of andere manier in Gods wereld is opgenomen en daar een gelukkig, dus ander, leven leidt. Dat is mooi voor de overledene, maar de pijn van het gemis bij degenen die achterblijven is er nauwelijks minder om. We verheugen ons niet om die ander, maar zijn bedroefd om onszelf.

De band ook met een overledene kan heel hecht zijn. Soms hoort men zijn of haar stem. Zo komt het voor dat iemand vertelt dat hij of zij een paar dagen na het overlijden z’n vader heeft gezien en gehoord. Dan luisteren we geduldig. Als we enige twijfel laten blijken kan er met enige heftigheid verteld worden dat hij daar en daar ging zitten en "ik heb hem zelfs een nieuwe haring aan geboden en die heeft hij echt opgegeten, want daar hield hij vroeger ook zo van". Ook als wij zelf zoiets zouden ervaren zouden we twijfel hebben samen met het vuur om het aan een ander te vertellen. Als het lang zou aanhouden zouden we heimelijk over een afspraakje met de psychiater gaan denken. Het keiharde bewijs dat de overledene nog leeft is ook bij zo’n ervaring niet geleverd.

Met die eerste christenen was dat niet anders. Geen enkele apostel, geen enkele leerling, man of vrouw is tot geloof in de verrijzenis gekomen door elkaars verhalen over ontmoetingen in levende lijve. Jezus had gezegd naar God, zijn vader te gaan. Dat was dan mooi voor Hem en mooi voor God, maar daar hadden de eerste christenen weinig aan. Zo is het steeds weer als iemand ons ontvalt.

Maar anders wordt het als die persoon in mensen om ons heen en misschien in onszelf opnieuw tot leven komt. Dan dringen zijn of haar woorden dieper door en kunnen zelfs tot daden aanzetten. “Dat is sprekend d’r moeder” hoor je wel eens zeggen: uiterlijk misschien niet, maar die gebaren, die manier van spreken en doen, die zachtaardigheid. Zo is het na dat heengaan van Jezus ook gegaan. Heel onverwacht maakt zich dat zelfde elan voor God en medemens meester van dat groepje eerst nog angstige aanhangers. Jezus leeft en het bewijs daarvan zijn zij en al die miljoenen die zijn woorden en daden voortzetten, levend houden dus. Dan hebben we het over zijn leven hier en nu en niet over hoe dat ver weg in Gods wereld zou kunnen zijn. Let wel: dit is ook Gods wereld. Alleen Gods wereld is niet de onze, helaas nog niet.