2e zondag in de paastijd B - 2012

Zusters en broeders,

De evangelielezing van vandaag is het vervolg op de lezing die we op Pasen hoorden: Maria Magdalena ontdekt het lege graf, en haalt er Petrus en Johannes bij. Wat we niet gehoord hebben, is dat Jezus onmiddellijk daarna aan  Maria Magdalena verschijnt. En nu horen we dus dat Hij ’s avonds aan zijn leerlingen verschijnt.

Zijn verrijzenis luidt een heel nieuw tijdperk in. Als er iets nieuws komt, bijvoorbeeld nieuwjaar, dan wensen wij elkaar het beste toe. Op 1 januari wensen wij elkaar dus gelukkig nieuwjaar en een goede gezondheid, en dikwijls voegen we daaraan toe: ‘want als de gezondheid goed zit, loopt al de rest vanzelf.’ Jezus echter wenst zijn leerlingen geen gelukkig nieuw tijdperk en ook geen goede gezondheid toe, maar wel vrede. Twee keer zegt Hij uitdrukkelijk: ‘Vrede zij u.’ Misschien is vrede dus wel het belangrijkste wat een mens kan kennen: vrede met zichzelf en met anderen. Geen angst - zoals de apostelen, die zichzelf hebben opgesloten ‘uit vrees voor de joden’ - , geen wantrouwen, geen ruzie, geen oorlog, geen verdriet om dood en verlies, maar vrede.

Het is vanuit die vredeswens dat Jezus zijn leerlingen zendt, zoals de Vader Hem gezonden heeft. Ook zij moeten vrede te brengen. Om dat te kunnen doen, geeft Hij hun zijn Geest, opdat ze zouden kunnen vergeven, opdat ze dus over de tweedracht en de misstappen heen zouden kunnen kijken. En waarin die vrede van de Heer uitmondt, horen we in de eerste lezing: de eerste christenen vormen een oase van harmonie en van broederlijkheid, en ‘rijke genade rustte op hen allen’, noteert de schrijver uitdrukkelijk. Misschien moesten wij, christenen, niet alleen dromen van zulke vredevolle samenhorigheid, maar moesten we er ook echt naar streven. Jezus achterna, want ook tot ons zegt en herhaalt Hij: ‘Vrede zij u.’

En dan is er Thomas, die ook Didymus genoemd wordt, en ‘Didymus’ betekent ‘tweelingbroer’. Er is niet veel over hem geweten. Hij zou het evangelie gepreekt hebben in Indië, en hij zou er de marteldood gestorven zijn. En hier weigert hij te geloven wat de anderen hem vertellen: dat ze de levende Heer gezien hebben. Je kent zijn voorwaarde om dat te geloven: hij moet ten minste met zijn eigen ogen kunnen zien dat de man die zich voor de verrezen Heer uitgeeft effectief de Heer is die op het kruis gestorven is, en niet een of andere fantast die best wel voor wat spektakel wil zorgen. Alleen die gekruisigde, en volgens de andere apostelen nu verrezen Heer, wil hij volgen.

Zusters en broeders, misschien moeten we maar wat meer op onze tweelingbroer lijken, misschien moeten we even kritisch zijn als hij, en moeten we niet zomaar slikken wat er allemaal verteld wordt. Misschien moeten we, net als Thomas, stellen dat we alleen de gekruisigde en verrezen Heer willen volgen, en dat alleen zijn woorden en zijn daden onze weg zijn. ‘Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven’, zegt Jezus op een andere plaats in de Bijbel, en Hij zegt dat in antwoord op een vraag van Thomas, onze tweelingbroer dus. Misschien moeten we ons veel meer afvragen: Volg ik de weg die Jezus gaat, de weg die Jezus is? Wat zegt Jezus over iets? Veroordeelt Hij iemand? Welke weg leeft Hij ons voor?

Ik denk dat dit de betekenis is van Thomas, onze tweelingbroer: dat we bewust zouden omgaan met ons geloof, en dat alleen de gekruisigde en verrezen Heer onze norm en ons houvast kan zijn. Je weet hoe het verder loopt in de evangelielezing: wanneer Jezus opnieuw verschijnt, is Thomas wél bij de anderen, en hij roept uit: ‘Mijn Heer en mijn God.’ En Jezus reageert: ‘Omdat ge Mij gezien hebt, gelooft ge? Gelukkig zijn zij die niet zien en toch geloven.’ Is dit een berisping omdat Thomas voordien niet wilde geloven? Ik denk het niet. Ik denk dat Jezus hier spreekt over de miljoenen, de miljarden mensen die in de loop der eeuwen hebben geloofd zonder gezien te hebben, en die dus zijn weg zijn willen gaan. Zijn  weg van liefde en vrede. Ik denk dat Jezus hier ook over ons spreekt, want ook wij geloven zonder te zien. ‘Gelukkig zijn jullie’, zegt Jezus.

Zusters en broeders, eerst wenst Hij ons vrede, nadien prijst Hij ons gelukkig. Ik denk dat we met die wensen zeer goed toegerust zijn om zijn  weg te gaan. Amen.