Paaswake (2009)

Dit is de nacht van het diepste geheim van de kerk. Dit is de nacht waarnaar we toegeleefd hebben, veertig dagen lang. Dit is de nacht waarnaar jullie, die straks gedoopt en gevormd zullen worden, heel in het bijzonder hebben toegeleefd. Dit is de nacht die het hoogtepunt is van de Goede Week. Alles wat we hebben gevierd, Palmzondag, Witte Donderdag, Goede Vrijdag, het loopt uit op deze nacht.

En als er een ding is dat deze nacht tekent, dan is het wel dat dit de nacht van de verhalen is. De kerk schrijft voor deze nacht niet minder dan 9 bijbellezingen voor, en ze is gelukkig zo mild om te zeggen dat je daaruit mag kiezen. En dus hebben we drie lezingen gelezen, drie verhalen die het hart van ons geloof vormen. En alle drie deze lezingen draaien om een woord: angst. De evangelielezing eindigt er zelfs mee: "De vrouwen zeiden niemand iets, want ze waren bang." Over de angst moet het dus gaan, deze nacht. Laten we naar die verhalen kijken.

Ik wil beginnen, niet met het lied van de schepping, maar met het verhaal van de uittocht. De kerk zegt namelijk over de 9 lezingen van deze nacht: Je mag uit deze 9 kiezen, maar één verhaal moet er in ieder geval gelezen worden, en dat is het verhaal van de uittocht uit Egypte. Zonder dat verhaal kun je niet begrijpen wat we deze nacht vieren.

Het is ook het oudste verhaal in onze bijbel, ouder ook dan het scheppingsverhaal. Het is het verhaal waarmee ons geloof, en het geloof van onze voorouders die gevangen waren in Egypte, is begonnen. Een verhaal over een God die partijdig is, die niet neutraal boven alle kampen staat, maar partij kiest voor een klein, onbeduidend volk, Israël, dat gevangen wordt gehouden in het slavenhuis van Egypte. Het is het eerste en het meest essentiële dat de Israëlieten over God geleerd hebben, iets dat in alle verhalen uit de bijbel steeds weer doorklinkt: de God van Abraham, Izaäk en Jacob, de God van Mozes en Mirjam en Aäron, de God van Jezus, van Maria en van ons, is een God die partij kiest voor het kleine, voor het onbeduidende, en het redt uit alles wat het knecht, al moet daarvoor het ondenkbare gebeuren.

Want ondenkbaar is het: dat het volk doodloopt bij de rode zee, met de farao en al zijn legers op hun hielen. Dat daar, in het diepst van hun angst het doodswater splijt en Israël droogvoets tussen de wateren doorloopt, zijn vrijheid tegemoet. En dat God alle machten die Israël in slavernij hielden, de farao, al zijn wagens en wagenmenners op het midden van de zeebodem laat vastlopen, en ze verdrinken als de zee terugstroomt naar haar plaats.

In de kerk waarin ik ben opgegroeid wordt ieder jaar als in de paasnacht het verhaal van de uittocht verteld wordt, een korte Midrash toegevoegd, een eeuwenoud joods commentaar bij dit verhaal. Ik wil het u niet onthouden. Er wordt verteld dat toen de Israëlieten droogvoets door de rode zee waren getrokken en de Eeuwige, geprezen zij zijn Naam de wateren naar hun plek liet terugstromen, en de farao en zijn wagens en wagenmenners omkwamen, tot aan de laatste toe, dat toen de engelen in de hemel begonnen te juichen en te zingen. Maar de Eeuwige, geprezen zij zijn Naam sprak tot zijn engelen: "Zwijg! Mijn volk moest bevrijd worden uit het slavenhuis van Egypte. Maar zij die daar dood liggen op het strand van de zee, zij zijn ook mijn kinderen."

Honderden jaren na de uittocht uit Egypte, is Israël een tweede keer onder de voet gelopen. Dit keer door de grootmacht uit het noorden, Babylon. En opnieuw is het volk weggevoerd, de ballingschap in. En daar in Babylon, komt het in een zeer moderne multiculturele samenleving terecht, waar allerlei verhalen gaan over de sterren die je leven zouden bepalen en over allerlei wonderlijke goden die als een noodlot boven je zouden hangen. En het is daar, dat Israël zijn scheppingslied leert zingen, het lied over de zeven dagen. En steeds is er dat refrein: En God zag dat het goed was. In Babylon ontdekt Israël dat God niet alleen de god is van de eigen stam, maar de God van hemel en aarde, van alles dus, en dat er niets is dat niet door God gegeven is, niets is om bang voor te zijn. Al die sterren, daar staat je lot niet in geschreven: het zijn maar lampjes, door God opgehangen, zodat je overdag kunt zien en het 's nachts niet helemaal pikkedonker is. Ook de angsten van onze tijd zitten in dat lied: De markt, de economie, dat is geen oncontroleerbaar lot waar je alleen maar voor kunt buigen. Het is schepping, door God aan ons gegeven om er verstandig mee om te gaan. En de ontwikkelingen in wetenschap en technologie zijn iets moois, om steeds beter te leren begrijpen hoe de werkelijkheid in elkaar steekt. Maar het is geen god, die oncontroleerbaar en angstaanjagend voortraast: het is schepping, door God gegeven om er verstandig mee om te gaan. Want zo ziet God dat het goed is.

Twee teksten over de angst: de oerervaring van Israël, dat God partij kiest voor het onbeduidende en het bevrijd uit Egypte, en het scheppingslied uit Babylon, dat er in heel de wereld niets is dat onze band met God verbreekt, omdat hemel en aarde, alles wat ons omgeeft hoort bij de dingen waarvan God zag dat zij goed waren.

En dan is er Markus. Markus heeft verteld over die ene mens in wie de leerlingen zo veel van God herkenden, dat zij hem zijn gaan zien als Gods unieke zoon, Jezus. Deze zoon is gekruisigd en begraven, en de hoop die de leerlingen op hem gesteld hadden, is verdwenen. En als de vrouwen bij het graf komen, vinden ze daar niet eens zijn lichaam meer. Wel een jonge man die zegt dat de leerlingen naar Galilea moeten gaan, om Jezus daar te ontmoeten. Maar de vrouwen vluchten weg en zeggen niemand iets, want ze waren bang.

En met die zin stopt ineens de lezing. En eigenlijk is dat gek: Want hoe is dit goed nieuws, evangelie, het goede nieuws van deze nacht? Misschien wil Markus dat wij zelf bedenken dat als de vrouwen hun mond waren blijven houden, dat wij hier dan niet geen Pasen gevierd hadden. Op een moment hebben ze toch de moed opgebracht om van hun ervaringen te vertellen. Dappere vrouwen, die tegen beter weten in het graf opnieuw zijn gaan opzoeken, daar de schrik van hun leven kregen en er later toch over zijn gaan vertellen. Want voor alle duidelijkheid, de mannen zijn in dit verhaal in geen velden of wegen te bekennen.

Jezus trouwens ook niet. Hij verschijnt niet, niet hier bij het graf. Er wordt slechts naar zijn belofte verwezen: dat hij zal verschijnen in Galilea. Galilea, dat is waar het begonnen is met Jezus en de leerlingen, dat is waar de leerlingen zijn opgegroeid, waar ze wonen en werken, waar hun gewone leven is. Galilea, dat is hier, Tiel, Drumpt en Passewaaij en Avezaath, dat is ons leven van iedere dag, met de angsten van ons gewone leven. Want Pasen betekent niets, als de Verrezene niet verschijnt in mijn angst.

Over die angst gaat het evangelie: dat je alleen overblijft, dat je levenswerk instort, dat je niet meer beter wordt, dat je kinderen kapot gaan, dat de dood inbreekt, voor jezelf of voor heel de aarde.

Hier in die angsten in ons Galilea, hier laat de Verrezene zich vinden, als een eerste straaltje licht dat de nieuwe morgen aankondigt, als een kleine vlam in een nog donkere kerk.