Pasen (2012)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden
Zou het waar zijn? – Die linnen doeken die daar nog lagen, in dat lege graf: was dát wat wij nog altijd kennen als de zogenaamde “lijkwade van Turijn”, - die weliswaar vage, maar praktisch fotográfische “en niet alleen anatomische, (maar) ook historisch” “zeer correcte”[1] onmiskénbare afdruk, op een linnen doek, van de vóór- én achterkant van het dode lichaam van een gekruisigde, langharige en besnorde man? Sinds de veertiende eeuw wordt deze doek als relikwie vereerd, sinds 1578 te Turijn, waar deze slechts heel zelden getoond wordt.

Duidelijk herkenbaar op de lijkwade is hoe het lichaam van de gekruisigde persoon is vastgenageld geweest doorheen de polsen en de gewrichten aan de bovenkant van de voeten. En op de rugzijde zijn de sporen van een geseling te zien die vrij duidelijk gedaan lijkt “met een typisch Romeinse zweep met van die haltertjes aan het eind van de touwen”. Als relikwie is die lijkwade natuurlijk zonder meer verbluffend. Dichter bij het lichaam van een opgestane gekruisigde kun je niet komen lijkt mij. Máár … onderzoek naar het doek met de bekende en wetenschappelijk als betrouwbaar te boek staande Koolstof C-14-methode geeft als uitkomst dat de lijkwade ergens in de periode tussen de jaren 1260 en 1390 zou moeten zijn ontstaan, terwijl een evident verschil met de passage uit het Johannes-evangelie die ik u zoëven heb voorgelezen natuurlijk is dat de líjkwade een integraal lichaam laat zien, terwijl het evangelie spreekt over een apárte “doek die zijn hoofd had bedekt”.

NRC-Handelsblad, de zogenaamde kwaliteitskrant die we niet snel zullen betrappen op een welwillende interpretatie van manifestaties van het katholieke christendom, wijdde een paginagrote recensie aan een nieuw boek van 450 pagina’s over de lijkwade. Kop van die recensie: “Hij is waarlijk (niet) opgestaan” – waarbij dat “niet” wél tussen haakjes werd gezet. “Jezus stierf, maar stond op uit de dood. Zijn daar bewijzen van?” Dát is de cruciale vraag. “De wetenschappelijke communis opinio” omtrent Jezus “is ongeveer zo”, aldus de krant, ik citeer: “Jezus was ‘gewoon’ één van de joodse predikers die aan het begin van de jaartelling het Einde der Tijden predikten. En misschien –vrij uniek- pleitte hij ook voor medemenselijkheid.” En wat die opstanding betreft, ik citeer opníeuw de krant: “De bijbelse verhalen (…) over Jezus’ opstanding zijn vreemd en verrassend vaag. Het zijn ongetwijfeld vertelsels (sic) van vroege christenen om zichzelf en anderen ervan te overtuigen dat Jezus zijn leerlingen niet had verlaten.” Einde citaat.

Ja.

“Verrassend vaag” zegt de recensent. Nou, dat vind ik toch niet. Want Johannes schrijft: “Hij zag hoe de doeken er nog lagen, maar ook hoe de doek die zijn hoofd had bedekt, niet bij de andere doeken lag: hij was opgerold en lag helemaal apart.” Dat kan ik niet vaag vinden. Integendeel. Ik vind dat verrassend concreet en precies. Het lijkt wel een proces verbaal. Tegen de achtergrond van zéker het Johannes-evangelie mag het dan ook geen verbazing wekken, dunkt mij, dat men op zoek is gegaan naar die doeken. Want mensen koesteren vaak de tastbare herinneringen aan hun ervaringen: kledingstukken, haarlokken, foto’s, souvenirs. Mensen willen vasthouden. Mensen willen bewaren. Mensen willen bewijzen.

Maar Jezus’ verrijzenis, dierbare gasten en parochianen, is natuurlijk niet te bewijzen. En dat moet je ook niet willen, met zo’n lijkwade en zo. “De ervaring leert al bijna 2000 jaar dat geloof in Christus’ opstanding geen bewijzen nodig heeft. De innerlijke overtuiging volstaat” – schrijft de recensent van NRC-Handelsblad. En dáárin moet ik hem geheel gelijk geven. Kijk maar naar het Johannes-evangelie.

Daar is sprake van twee van Jezus’ leerlingen die zich, gealarmeerd door Maria van Magdala, de apostola apostolorum, de “apostelin van de apostelen”, “ijlings” naar Jezus’ graf begeven. De ene leerling is Petrus. En de andere wordt genoemd “de leerling van wie Jezus hield”. Love is in the game. Liefde in het spel. Petrus gaat als eerste het graf binnen. “Hij zag” staat er. Petrus registreert, zoals een rechercheur van politie. Maar de andere leerling, “van wie Jezus hield”, “híj zag en kwam tot geloof”.

Het is niet belangrijk, veelgeliefden, of wij Jezus’ verrijzenis uit de doden kunnen bewijzen. Waar het om gáát is of wij erin kunnen gelóven. En geloven is iets van een andere orde als die van het bewijzen. Bewijzen, dat is iets van de aarde. Met “bewijzen” blijf je aan de buitenkant van de mensen, van de dingen en de omstandigheden. Gelóven, daarentegen is “van boven”, -zoals Paulus het noemt in zijn brief aan de Kolossenzen waaruit wij hebben horen voorlezen. Door geloven kunnen mensen door de oppervlakte, de buitenkant van de mensen, de dingen, de omstandigheden héén zien. Gelóven is iets van het hart - zoals liefhebben het is. Gelóven heeft álles met liefde te maken.

In de afgelopen nacht van Witte Donderdag op Goede Vrijdag, de nacht van Jezus’ verblijf in de tuin van Getsemane, de hof van olijven, nacht van zijn doodsangst, is de andere kerk de hele nacht geopend geweest. Er kon gewaakt worden, indachtig Jezus’ woorden in het Mattheüs-evangelie tegen Petrus gesproken (opnieuw Petrus!): “Konden jullie dan niet één uur wakker blijven met Mij?” Mariluz Melis, een kleine vrouw van Latijns-Amerikaanse origine, was van drie tot vier uur in de kerk. En toen ze thuis kwam schreef ze, in het Engels, enkele gedachten op die ze vervolgens mij toestuurde. Gedachten zijn het bij het evangelie van deze eerste Paasdag. Tot besluit van deze verkondiging lees ik er graag drie door mijzelf vertaalde fragmenten van voor:

Maria van Magdala ging in alle vroegte, terwijl het nog donker was, naar het graf. Hoe vroeg ontwaakt de liefde! Je dorst schijnt voor je uit, zodat je de waterbron kunt vinden. De Geest leidt toe naar (alles) wat nieuw is. (…) Liefde is de sleutel om het mysterie van de verrijzenis te kunnen binnengaan. Jezus kan niet stoppen met liefhebben. En wij willen niet ver van Zijn liefde wég wonen. Gebed is ontmoeting. Het is: het nieuwe leven omarmen (hugging the the new life). Het is vreugde.

“Ze hebben de Heer uit het graf gehaald”. “Wisten we maar waar ze Hem hebben neergelegd.” Jezus is niet langer op een plaats. Hij is in het hart van allen, (Hij is) in álles. Zijn verrijzenis vráágt om die van ons. Zijn dans laat in ons de dans ontwaken. Zijn leven herstelt ons navolgen. Zijn leven omarmt ons. Wij antwoorden door Zijn wil te omarmen.

Petrus en de andere leerling gingen naar het graf. De andere leerling ging naar binnen. Hij zag en kwam tot geloof. Deze morgen rent iedereen. Ze zien uit naar Degene die zoveel leven gaf. Ze zoeken en vinden. Ze zien en ze geloven. Als ze Hem gevonden hebben heeft het geen zin om terug te kijken. Het nieuwe van God is zo verschillend van al het bekende. De muziek van God is zo anders. Geloven in Jezus is glimlachen naar God en is ook: geloven in onszelf.

Tot zover Mariluz Melis. Woorden van geloof zijn het. Woorden van de binnenkant. Geloven in God, in Jezus, en geloven in onszelf, in onze ondanks alles prachtige wereld, geloven in andere mensen, in elkaar en ja, geloven zelfs in de kerk, geloven, heel concreet ook in ons hier als Rozenkrans- of zo u wilt Obrechtparochie. Ik wens het ons allen van harte toe en wens u graag: een Zalig Pasen. Amen. Alleluia.