Hij onderrichtte hen als iemend met gezag...

Nog niet gepubliceerd

Beste vrienden!

Toen Marcus rond het jaar 68 de verhalen over het leven en werken van Jezus begon neer te schrijven, lagen sommigen van die gebeurtenissen al bijna 40 jaar in het verleden. Marcus zelf heeft Jezus ook nooit gekend. Hij heeft die verhalen pas vele jaren na Jezus’ dood en verrijzenis in de Christelijke oergemeente gehoord waar hij tot het geloof was gekomen. Marcus vond het belangrijk dat al die verhalen, die over Jezus de ronde deden, ook werden opgeschreven. Maar met welk van die vele indrukwekkende genezings- en wonderverhalen zou hij zijn evangelie beginnen? Het kwam er tenslotte toch op aan dat zijn lezers onmiddellijk zouden begrijpen waar het Jezus in zijn prediking om ging. En dus begint hij met een spectaculair genezingsverhaal dat bij ons toch ook wel wat vragen oproept. In het verhaal gaat het over demonen en duistere machten. Over de vele negatieve krachten in onszelf. Maar daar wil ik het vandaag niet zo zeer over hebben. Dit keer heeft me een heel andere zin uit het evangelie getroffen: „Ze waren geestdriftig over zijn leer, want Hij onderrichtte hen als iemand met gezag, en niet zoals de schriftgeleerden.”  

De mensen waren geschrokken en diep onder de indruk. Wat Jezus in de synagoge had verteld had hen helemaal van hun stuk gebracht. Ze hadden onmiddellijk aangevoeld: Die man spreekt woorden die me innerlijk raken, woorden die me uitdagen en aandrijven; woorden die nieuwe mogelijkheden voor mijn leven openen omdat ze er de verkramptheid en de verstarring uit wegnemen, omdat ze troosten en bemoedigen. Wie, zoals de man uit het evangelie, niet in het reine is met zichzelf, wiens gedachten en gevoelens voortdurend heen en weer scheuren, die vindt in Jezus‘ woorden een grote mate aan klaarheid en beslistheid. Wie naar Jezus luistert voelt duidelijk aan: Wat ik hier hoor is Gods woord, en het is heel persoonlijk aan mij gericht.  

Een professor theologie klaagde er in zijn afscheidslezing over dat dergelijke krachtige woorden in de Kerk van onze tijd niet meer voorkomen. Onze Kerk is terug een kerk van schriftgeleerden geworden zegt hij. Een klacht die hij dan in het volgende verhaal heeft verduidelijkt:

„Het woord Gods kwam naar de stad. Het nieuws had zich als een lopend vuur verspreid. Iedereen praatte er over. In alle dagbladen werd het pro en het contra afgewogen. In kerkelijke berichten wordt gewaarschuwd: “Het woord Gods kan niet meer komen, want het is al sinds eeuwen bij ons. Wij hebben het in de heilige boeken en wij hebben ook genoeg kerkelijke vakmensen die het voor ons kunnen verklaren.” En toch kwam het woord Gods in de stad!   

"Wat wilt u?, en wie bent u?", vroeg men aan de eerste deur waar het aanklopte. “Ik ben het woord Gods! Ik werd toch aangekondigd!” – “Bla bla bla – niets dan woorden, wat hebben we daar aan!  Er moet iets gedaan worden!“  Zei de man aan de deur. „Als u me binnen laat, zal er met u iets gebeuren!“ zei het woord Gods nog, maar toen had de man de deur al lang dichtgeslagen.

De zondag daarop werd het woord Gods door het parochieteam uitgenodigd in de Kerk.

De ontvangst was feestelijk. Het woord Gods kreeg een ereplaats. Er stonden veel kaarsen rond en wolken van wierook stegen naar boven. Toen begon de preek. De geestelijke vond prachtige indrukwekkende woorden en sprak zeer lang. Maar het woord Gods kwam niet aan het woord. Vanuit de kerkbanken werd er op geroepen. Maar toen was het woord er al niet meer en op de ereplaats lag een oud boek….”   Ik geef toe, het is een provocerend verhaal.

De mensen roepen om Gods woord, en ze krijgen een oud boek. Mensen schreeuwen naar het levende woord, en wij geven hen oude letters. Mensen hongeren naar woorden die hen bevrijden en verlossen, en wij sluiten die woorden op in paragrafen en leerstellingen. Mensen hopen op een troostend en begrijpend woord, en wij geven hen dikwijls alleen maar lege frasen en formuleringen.  

„Ze waren geestdriftig over zijn leer, want Hij onderrichtte hen als iemand met gezag, en niet zoals de schriftgeleerden.”

Het gaat blijkbaar niet zo zeer om wat Jezus preekt, maar vooral hoe Hij het zegt. Inhoud en informatie is één ding, maar het is de toonzetting die de muziek maakt. Wanneer wij spreken geven we niet alleen informatie, maar we brengen ook onszelf tot uitdrukking – wie we zijn, of wie we zouden willen zijn. We signaleren in welke verhouding we tot de andere staan of zouden willen staan en we sturen boodschappen uit over wat we van onze toehoorders verwachten. Met onze woorden veranderen we dus de werkelijkheid – of niet?

Dat verhaal van onze theoloog leidt dan ook naar de alles bepalende vraag: Hoe zou de Kerk in onze tijd moeten spreken wanneer ze, zoals Jezus, de harten van de mensen wil bereiken? Welke taal moeten wij spreken opdat de mensen terug nieuwsgierig zouden worden naar Gods woord?      

Ik vermoed dat het een taal van de verrassing moet zijn. Een taal die perspectieven opent en hen het leven in een ander licht laat zien; een taal van redelijkheid die niet op alles een voorgekauwd antwoord klaar heeft,  maar een taal die mee op zoek gaat, die de twijfels en de angsten van de mensen ernstig neemt en hen niet nog dieper in de put duwt.

Het moet een humoristische taal zijn, die ook iets van Jezus’ boodschap weerspiegelt, die rust uitstraalt en afziet van fanatieke slogans en verbeten haarklieverijen. Een taal die tot vreugde aanzet, ondanks al die slechte ervaringen die wij als mens moeten meemaken. Een taal die zich bewust is van de eindigheid van ons leven. Denk aan die uitspraak van de Heilige Johannes XXIII: “Giovanni, vind jezelf toch niet zo belangrijk”.

Het moet ook een taal vol daadkracht zijn. Een taal, die met eenvoudige woorden de Geest van Jezus weer tot leven roept; die ons laat vermoeden hoe Jezus zich een gelukt leven en een gelukte samenleving heeft voorgesteld. Die taal is zeker niet de taal van de schriftgeleerden. Die hebben veel gestudeerd en ze weten ook enorm veel. Maar staan ze er ook achter? Zijn ze wel geloofwaardig in datgene wat ze verkondigen? Dat kan alleen als we die boodschap van Jezus ook verinnerlijkt hebben. We moeten “vanuit” en niet alleen maar “over” die boodschap van Jezus kunnen spreken. Volgens het principe: Spreek alleen dan over Christus wanneer men het u vraagt. Maar leef zodanig dat men het u vraagt.

Dat, lieve mensen, is de ultieme opdracht die Jezus ons geeft. Dat we zouden leven zoals Hij het ons ingeeft; dat we een voorbeeld zouden zijn voor onze medemensen. Geen voorbeeld dat zich opdringt, maar een voorbeeld waar men naar opziet en dat men wil navolgen. God wil ons geen waarheden opdringen. Hij wil dat wij zijn voorbeeld volgen en een voorbeeld zijn voor de anderen.

God wil gewoon ons!  Amen.