Christus Koning (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden

- Het feest van Christus Koning werd ingesteld in 1925 door Paus Pius XI van wie de leuze was: "De Vrede van Christus in het Rijk van Christus". Het werd het feest van onze katholieke bewegingen, die fier in stoeten optrokken met stralende uniformen, wapperende vlaggen en tromgeroffel. Standbeelden van Christus Koning werden opgericht en in vele huizen werd het beeld van Christus Koning geïnstalleerd. Er heerste een sfeer van triomf. De Kerk was machtig. Ze beschikte over een indrukwekkend scholennet, ziekenhuizen en tal van instellingen. - En nu ?

1. Wat is de achtergrond en de betekenis van het feest dat wij vandaag blijven vieren ? - Het begrip koningschap betekent heerschappij. Het ontstond bij de oude cultuurvolkeren, die onder vorsten werden geregeerd. Die koningen grondden hun gezag op een of andere godheid. - Bij Israël leefde de idee van het Koninkrijk Gods: het herstel van de harmonie van de wereld met God. Alleen Israël had geen koning tenzij God zelf. Het Godsvolk werd geleid door God enkel langs profeten en charismatische figuren, uit vrees dat een aards koningschap de geestelijke zending van dit volk zou bedreigen. Toch zijn er gedurende vier eeuwen koningen geweest. Maar vlug na David knaagde de worm in het systeem. Dan kwamen de ballingschap en opeenvolgende bezettingen. Zo rijpte het verlangen naar nieuwe autonomie, en naar een nieuw koningschap in de stijl van David. Maar dit werd gaandeweg - tegen de profeten in - zeer aards en politiek gezien. De komende Koning-Messias zou een held zijn die het volk van het Romeinse juk zou bevrijden. - In Jezus' tijd leefde deze verwachting zeer sterk bij de volksleiders, de Farizeeën. Juist daarom vermeed Jezus zijn leven lang zichzelf openlijk koning te noemen. Hij zag het anders. Dat was het Messiasgeheim. Het woord was politiek besmet en zou in zijn geval verkeerd worden uitgelegd.

2. De ironie wil nu dat Jezus, die precies geen politieke koning wilde zijn, juist op die grond wordt aangeklaagd bij de Romeinse landvoogd. Immers louter onder motivering van de Joodse religieuze wetgeving zou een veroordeling bij Pilatus geen kans maken. Jezus had nochtans gezegd : "Geef de Keizer wat de Keizer toekomt", en moet nu vernemen dat Hij oproer maakte tegen de Keizer. Het is nu boeiend tegen deze achtergrond het gesprek van Pilatus met Jezus te volgen. Jezus blijft meester over heel het rekwisitoor en beheerst tot driemaal de vraag naar zijn koningschap:

(a) Pilatus vraagt: "Zijt gij koning der Joden ?" Maar de beklaagde ondervraagt de rechter: "Zegt gij dat uit u zelf, of hebben anderen u dit voorgezegd ?" Dit is: "Als het van de Joodse leiders komt, welke betekenis geven zij aan dat woord ? Ik wil eerst weten wat u met het woord ‘koning' bedoelt." Dat maakt Pilatus nerveus. Hij weet het niet. Als Jood moet Jezus het zelf toch weten.
(b) Daarom een tweede vraag: "Wat hebt ge uitgestoken ?" Jezus leidt het debat. Hij zegt niet waarin Hij misdaan zou hebben. Hij stelt Pilatus op zijn gemak: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld. Niet van hier." Dit is: "Wees gerust. Ik ben geen bedreiging voor de Keizer van Rome." Dat is in rechterlijke taal een ‘geclausuleerde bekentenis'. Men moet met deze uitleg rekening houden."
(c) Ten slotte wil Pilatus uit Jezus' mond de zelfbeschuldiging forceren; "Ge zijt dus koning ?" En Jezus kaatst opnieuw de bal terug: "Gij (!) zegt dat Ik koning ben" (su legeis hoti...). "Dat woord gebruikt gij. Hiertoe echter ben Ik in de wereld gekomen: om getuigenis af te leggen van de waarheid. En al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem." Pilatus kan nu niet meer volgen. Hij kan alleen schokschouderen: zoveel filosofen komen af met hun waarheid ! "Wat is waarheid ?" Niet Jezus stond voor Pilatus. Pilatus stond voor Jezus, hij stond voor de Waarheid zelf.

3. Hiermede komen we terecht bij Jezus' visie over zijn koningschap: "Wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem." God is de uiteindelijke waarheid. In zijn mens geworden Woord, komt zijn waarheid tot ons. Het Rijk Gods is de genezing van onze verwonde wereld. En dit gebeurt langs de weg van het evangelie: "De waarheid zal u bevrijden" (Joh. 8, 31-32) en "Wie de waarheid doet, gaat naar het licht" (Joh. 3,21). De spreuk van Paus Benedictus roept ons op: "Medewerkers van de waarheid" (3 Joh. 8) te zijn. Persoonlijkheden zoals Kard. de Lubac voorspelden al lang dat wie een wereld opbouwt zonder God, de wereld opbouwt tegen de mens zelf. Nu zegt Kard. Poupard: "Het drama van het atheïsme is dat het project een wereld te bouwen buiten Gods Waarheid volkomen ingestort is." - " Ongelovigen hebben de waarheid geruild voor de leugen." (Rom. 1,25)

"Wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem." We komen aan bij het rijke beeld van de Goede Herder. De schapen die de Herder toebehoren, zijn degene die zijn stem kennen en beluisteren (Joh. 10,4,16). Als we Gods woord verwelkomen, wordt zijn waarheid in ons een kracht (1 Thess. 2,13). We moesten onze binnenkant omvormen, de samenleving een nieuw hart geven, God in ons laten wonen en Hem ons leven laten leiden. Gods koninkrijk komt niet met machtsvertoon noch met bazuingeschal. Het gebeurt zoals wij het zingen: "Uw koninkrijk komt ... waar mensen goed zijn voor elkaar,... bidden, danken en zingen,... luisteren naar uw woord... geloven in uw liefde, vertrouwen in uw kracht... leven naar uw geboden... en gaan waar Gij ze zendt..." (ZJ 579)