Niet van de wereld, wel in de wereld (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden

Diep in ons hart zit bij ieder van ons de neiging om graag zelf de baas te zijn, om controle te hebben over ons eigen leven en als het enigszins kan ook nog over dat van anderen. In tegenstelling tot vroeger vinden wij gehoorzaamheid nu nog moeilijker. Er is één uitzondering. In tijd van nood, als we zelf wat in paniek raken en niet zien hoe we er uit moeten komen dan vinden we het heel prettig als er een sterk iemand ons te hulp schiet en naast ons komt staan, ons bij de hand neemt, vertelt wat we moeten doen en zegt dat alles weer in orde komt.
In de tijd van de profeet Daniël heeft het Joodse volk te maken met koning Antiochus IV die zichzelf de bijnaam Epiphanes heeft gegeven: verschijning van God op aarde. Hij heeft nota bene in de tempel van Jeruzalem een heidens afgodsbeeld opgericht. Door de zware vervolgingen konden de tijdgenoten van Daniël moeilijk geloven in Gods nabijheid. In zijn apocalyptische visioenen openbaarde Daniël de grote lijnen van de geschiedenis (apokaluptein = ontsluiten, openbaren; Apocalyps = Openbaring) om zo voor zijn tijd hoop te geven: God blijft altijd trouw aan zichzelf en aan zijn volk. Ook als de nood het hoogst en de ondergang nabij is, is de redding nabij, hoef je niet te wanhopen.
Daniël beschrijft in zijn visioenen vier dieren als symbool voor grote wereldrijken uit het verleden, die stuk voor stuk ten onder zijn gegaan: de leeuw staat voor het Babylonië van koning Nebukadnessar, de beer voor het rijk van de Meden, en de luipaard voor de Perzen, het vierde dier met horens slaat op Alexander de Grote, koning van de Grieken. Uit dit laatste dier is het kleine, grootsprakige dier Antiochus IV Epiphanes die nu aan het jodendom een einde wilde maken, maar ook die - zo wil Daniël duidelijk maken - zal onvermijdelijk ten onder gaan. God zal de goddeloze machtswellust van de grote rijken vonnissen. De hoogbejaarde, bij ons vaak alleen maar teken van broosheid, zwakheid, kwetsbaarheid, staat in dit visioen uit de eerste lezing symbool voor God in al zijn eeuwigheid.
Als tegenhanger van de vier dieren verschijnt dan de Mensenzoon. De oorspronkelijke betekenis van deze titel is gewoon mens, maar als deze mens koninklijk individu, dat het volk van Gods heiligen belichaamt uit Gods hand heerschappij ontvangt, wordt hij symbool voor de redding en verheerlijking van het volk van God.
Veel later zullen zijn leerlingen van de titel Mensenzoon voor Jezus gaan gebruiken. Zonder aarzeling herkennen zij in hem de figuur van de eindtijd met wie Gods heerschappij, Gods koninkrijk voorgoed aanbreekt. Ook Jezus zelf neemt deze naam vaker in de mond. Herkent hij zichzelf en zijn opdracht hierin? Jezus lijkt het toch vooral te gaan om dat koninkrijk van vrede en gerechtigheid dat moet komen, en minder om zichzelf.
In dit verband is het goed ons te realiseren dat de enige keer dat we Jezus koning horen noemen dit in alle vier evangelies in de wel heel bepaalde context van het lijdensverhaal is. Alleen als gevangene, bespotte en beschuldigde, machteloze onschuldige is hij koning. Andere keren weigert hij deze titel en vlucht weg als ze hem koning willen maken. Vandaag in het evangelie volgens Johannes vraagt Pilatus aan Jezus: Bent u de koning van de Joden?

Alvorens hierop te antwoorden stelt Jezus de tegenvraag of hij dit uit zichzelf vraagt, een retorische vraag die aangeeft dat Pilatus zich door anderen laat gebruiken, te slappe knieën heeft om in te staan voor gerechtigheid. Dan geeft Jezus antwoord op de vraag. Zijn koningschap is niet van deze wereld. Hij heeft geen landsgrenzen, geen wereldlijke macht, geen legers die voor hem strijden of het zelfs maar voor hem opnemen als hij zelf gevangengenomen wordt. Toch heeft Jezus' koningschap wel invloed op deze wereld, tot op de dag van vandaag. Dat geheim zouden wij moeten leren, want - zo zegt Jezus, bidt hij kort daarvoor tijdens het laatste avondmaal voor zijn leerlingen - ook wij zijn maar wel in de wereld, maar niet van deze wereld. Jezus' koningschap duidt er op dat hij is bekleed met Gods volmacht en gezonden om openbaring te zijn van Gods liefde. Dat is de waarheid waarover Jezus tegenover Pilatus spreekt, de waarheid van Gods liefde. Jezus oefent zijn koningschap op geweldloze manier uit. Iedereen die uit de waarheid is, die op de waarheid is afgestemd, luistert naar zijn stem.
De lezingen duiden hoe Jezus koning is, hoe God omgaat met macht en koningschap in onze wereld. De grote machten van onze wereld zijn maar tijdelijk en - zo geloven we, mogen we vertrouwen - vallen uiteindelijk ten prooi aan hun eigen machtswellust en aan Gods gerechtigheid. Wat leert dit alles ons dan: hoe moeten wij in de wereld en toch niet van de wereld zijn?
In de wereld en toch niet van de wereld zijn, betekent niet wereldvreemd zijn: we hangen er maar een beetje bij, want eigenlijk gaat het ons toch niet aan. Wij gelovigen, christenen, hebben hier maar een tijdelijke woonplaats, maar zijn gericht op het buiten- , boven- of na-aardse hemelse leven. Zó heeft Jezus' koningschap en zijn hele leven, leer, doen en laten geen betekenis. Zo heeft hij ons niet voorgeleefd. Hij was juist uitermate betrokken op alles wat er bij mensen, vooral de zwaksten, gebeurde, en wist zich met hen verbonden, stond naast hen, en verwacht dit ook van ons.
Dit betekent niet - dat is het andere uiterste - zo meegaan in de machtspelletjes, opgaan in de wereld dat we van de wereld zijn, dat ook voor ons alles draait om wie de baas is, zoals we wereldwijd in de politiek zien dat het eigenbelang eerst komt en hoe de macht in handen te hebben en te houden waarbij het doel alle middelen lijkt te heiligen. Ook in ons dagelijks leven zijn er in het klein voldoende voorbeelden.

Hoe vinden we dan tussen die beide uitersten de juiste weg. Door te blijven luisteren naar de visioenen, biddend en zingend van recht voor allen, en vooral door zelf te leven in waarheid: naar Gods liefde! Zo laten wij hem koning zijn, zo laten we merken dat we uitzien naar zijn komst, eens in de eindtijd en steeds opnieuw, van Advent tot Christus Koning en weer opnieuw, van dag tot dag.