33e zondag door het jaar (2012)

“Het zal dan een tijd van nood zijn zoals er eerder nog geen is geweest sinds er volken zijn.” Een tijd van nood. Het boek Daniël kijkt vooruit. Daniël ziet de wereld om zich heen. Hij ziet hoe die wereld leeft zonder God, gevangen in de waan van alledag. Hij ziet die herhalende kringloop van generatie op generatie met dezelfde fouten, hoe de armen het onderpit delven en hoe het kwaad toeneemt.

Bij Daniël is het gezegde waar: “Als de nood het hoogst is, is de redding nabij”, want hij ziet ook redding komen in de grote vorst Michaël. De naam Michaël – uit het Hebreeuws “mi-ka-El?”, is een vraag en betekent: “wie-als-God?” Tegenover een wereld die zichzelf als god ziet, tegenover machten en structuren van kwaad die zich een goddelijke status aanmeten, roept deze naam: “Wie is als God?” Het antwoord moet van de echte wijze mensen komen: “Niemand is als God, God alleen is onze Redder.”

Daniël ziet de redding in de wijsheid van de gelovigen, van hen die trouw blijven aan Gods gebod, Gods Wet. We lezen: “Dan zullen de wijzen stralen als de glans van het uitspansel en degenen die de mensen tot gerechtigheid hebben gebracht zullen schitteren als de sterren voor eeuwig en immer.”

Die grote vorst Michaël lijkt op Gods kracht in ons midden die slaapt, die wel aanwezig is, maar in sommige tijden toch afwezig lijkt. Hij moet opstaan, tot opstand komen tegen de gevestigde macht die van God los is. Hij staat op om mensen terug te brengen naar waarachtige wijsheid en om hen gerechtigheid te leren. Christelijke diaconie geeft vorm aan Gods gerechtigheid. In alle tijden worden er steeds verschillende krachten wakker, waaronder veel krachten die er niet op gericht zijn God en de naaste te dienen. Tussen al die krachten ziet Daniël de grote vorst Michaël opstaan, die roept: Wie is als God?

Het zal u niet verbazen dat de Christenen de vervulling van dit visioen hebben gezien in Jezus, de grote Vorst. Volgende week vieren we Christus Koning. De naam Jezus betekent: “God redt”. Jezus vervult de profetie over Michaël. De vraag: “Wie is als God?”, krijgt in Jezus antwoord. Alleen de Zoon is als God.

In middeleeuwse iconen werd Christus ook wel als de aartsengel Michaël afgebeeld. Zoals Jezus over Johannes de Doper zegt: “maar als gij het van Mij wilt aannemen: Deze is de Elia die zou komen.” (Matteüs 11,11-14); zo mogen wij het over Jezus zeggen: “maar als gij het van Mij wilt aannemen: Deze is de grote vorst Michaël die zou komen.” In dit licht lezen we het Evangelie van vandaag. In Christus is het visioen van Daniël tot vervulling gekomen.

Maar wat bedoelt Jezus dan als Hij opnieuw over een eindtijd spreekt: “Maar na de verschrikkingen in die dagen zal de zon verduisteren en de maan zal geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen en de hemelse heerscharen zullen in verwarring geraken. Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op de wolken met grote macht en heerlijkheid.”

Je ziet de parallel met Daniël. In de afgelopen tweeduizend jaar is er geen eeuw voorbijgegaan zonder grote oorlogen. En de laatste eeuw was daarin wel het treurige dieptepunt. Blijkbaar is de grote tijd van vrede en gerechtigheid nog altijd niet aangebroken. Jezus is er mee begonnen, bij Hem komen de kleinen op de eerste plaats. Wij moeten ermee doorgaan.

Het lijkt er dus op dat we leven in de tijd van de strijd, al twintig eeuwen. En als we denken dat die strijd niet nodig is, omdat de wereld ook goede dingen doet of omdat er ook aardige mensen zijn die niet geloven, dan verkijken we ons op de werkelijkheid. Natuurlijk zijn er goede dingen in de wereld en zeker zijn er mensen die niet geloven en toch goede dingen doen. Jezus zelf erkent dat. Maar zij zijn zonder Christus niet in staat om de neergaande spiraal te doorbreken. De wereld verheft de mens niet naar een hoger ethisch niveau. Zelfs de grote wereldgodsdiensten slagen maar daar ten dele in. Alleen zij die zich ten volle toevertrouwen aan Christus en Hem consequent navolgen, zij zijn de wijzen waar Daniël over spreekt, zij zullen met Christus de wereld redden uit de ondergang.

En waar staan wij? Zijn wij die wijzen, of staan we een beetje langs de kant? Maken we ons meer zorgen om de koopkrachtplaatjes, een vakantiehuisje of over de prijs van de cadeautjes en de surprises? Waar staan wij? In hoeverre zijn wij als het Joodse Volk in Egypte dat op weg moet, Egypte verlaten en de woestijn in, zijn wij als het volk dat keer op keer terugverlangt naar Egypte, ondanks de slavernij, omdat ze daar meer te eten hadden. Wat is onze vrijheid ons waard? Daarover zegt Jezus: “Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit (Lucas 14,33).”

We naderen het einde van het kerkelijk jaar. We horen serieuze, ernstige lezingen, niet als donderpreek of doemscenario, maar vol realisme en nuchterheid. In de diaconie maken we waar wat Jezus ons heeft voorgedaan en doen we mee met Gods gerechtigheid. Zo horen wij bij de wijzen waar Daniël over spreekt. Jezus gaat zijn weg voor ons uit. De enige weg die leidt naar het koninkrijk van de Vader. Andere wegen leiden ook ergens naar toe, ook andere religies doen dat. Ook de wereld zal een bepaalde mate van geluk en tevredenheid geven, maar het is niet het geluk van het Koninkrijk van de Vader. Wie dat zoekt, heeft maar één keus, Christus. De grote Vorst. De Redder. Wie op Hem bouwt, kiest niet voor de gemakkelijke weg, maar weet dat hij nooit zal worden teleurgesteld. Amen.