32e zondag door het jaar (2009)

Inleiding

'Intret oratio mea in conspectu tuo.' 'Laat mijn bidden tot U doordringen; luister naar mijn dringend roepen, Heer.' Ook al roepen wij dringend tot God, toch heerst er een opgetogen stemming in de liturgie. Mensen zetten zich er toe om voor God te treden, dat alleen al maakt blij. Iedereen deelt in die jubelende blijdschap waarin wij God loven. Maar wat is dat dan wat ons hart zo blij maakt? Wat is dat anders dan de goedheid van God. Dat God Zich aan ons meedeelt met zijn goedheid, met zijn Hart, met zijn liefde. Daarvan mogen wij leven. In de zondagse eucharistie vieren wij de dood en de verrijzenis van zijn Zoon, waarin Hij al zijn liefde voor ons heeft neergelegd. Dat is de genade aan de kinderen van God bij het doopsel aldus meegegeven, dat we nu al kinderlijk blij mogen zijn met de liefde van God.

Homilie

In het evangelie van vandaag zien we tot tweemaal toe de godsdienst in bedrijf. Het eerste tafereel laat de leiders van het volk zien, die in de Kerk doen wat de machthebbers in de maatschappij doen: macht uitoefenen, gebruik maken van hun macht over hen die geen macht hebben, en dat doen zij binnen de structuren van de godsdienst."Ze lopen graag met lange gewaden rond, ze zijn belust op de voornaamste zetels in de synagoge, ze nemen de ereplaatsen in bij de maaltijden, ze slokken de huizen der weduwen op, en verrichten voor de schijn lange gebeden."
Als het geloofsleven, het leven met God, het gewone leven is geworden, - en dat moet ook ergens - als de omgang met God het sociale leven binnendringt, dan kan het bijna niet anders of de wereld dringt binnen in de godsdienst. Dat zie je in de geschiedenis van de wereld bij alle godsdiensten. Godsdiensten verwereldlijken, worden zelf werelds, verliezen hun transcendentie, hun boven de wereld staan. Zo gaat het in het groot, bij de leiders, de schriftgeleerden, maar dat vindt evenzeer plaats in het klein, bij de kleinen. Daarvan krijgen we een voorbeeld in het tweede tafereel.

"Jezus ging tegenover de offerkist zitten en keek toe, hoe het volk koperstukken daarin wierp, terwijl menige rijke er veel in liet vallen." Dat is het gewone bedrijf onder de mensen. Je hebt armen en rijken en die standen die er onder de mensen zijn, zijn er ook in de tempel, in de omgang met God. De armen geven koperstukken en de rijken zilverstukken. Maar het geven van geldstukken alleen is nog geen godsdienst. Godsdienst wordt het pas als het werkelijk een offer is, als het je iets kost, als het je pijn doet. Liefhebben tot waar het je pijn doet, geven tot over de grens heen. En dat was noch bij de armen noch bij de rijken het geval. "Allen", armen en rijken, "wierpen ze er iets in van hun overvloed", zegt Jezus. Het deed hen geen centje pijn, ze voelden er niets van. Beter nog: ze voelden niets voor God, ze gaven zonder gevoel voor God. Ze hadden er wel een gevoel bij, maar dat gevoel betrof hun eigen 'ik'. Het deerde hen niets. Ze vervulden hun plichten. Ze werden er beter van in hun ik-gevoel, maar het maakte hen in geestelijke zin niet rijker. Ook tegenover elkaar werden zij er beter van. Het staat goed als je in de rij staat om iets te geven. Je hoorde erbij, je telde mee. Maar dat is geen godsdienst, dat is ik-dienst. Zo doe je niet tegenover iemand die je graag mag, dan wíl je juist dat het je iets kost. 'Het mag best iets kosten', zeggen we, als we bij gelegenheid van een verjaardag een cadeautje uitzoeken voor iemand die we graag mogen. En tegenover God, die de mens bemint met alles wat Hij in Zich heeft, met zijn hart, met zijn ziel, met zijn verstand, met al zijn krachten, kun je eigenlijk alleen maar aankomen met iets wat álles kost, wat op dát moment álles voor je betekent, iets wat je eigenlijk niet kunt missen. Zoals de weduwe in het evangelie; "zij offerde, zij gaf alles waar ze van leven moest."

Maar zoiets kun je een ander niet voorschrijven, want dan wordt het weer een 'moeten', dan wordt het weer iets van de wereld. God heeft alleen de blijde gever lief (vgl. 2 Kor 9,7). Daar hoort dan ook geen moeten bij, zo van: zo moeten jullie nu ook doen. Nee, er wordt alleen in een verhaal verteld wat er gebeurt, en dat verhaal eindigt met de eenvoudige constatering wat die vrouw deed. "Zij offerde van haar armoe al wat ze bezat, alles waar ze van leven moest." De bedoeling hiervan is dat de toehoorder hierover mag nadenken. Het is geen voorschrift, maar een voorbeeld. Een verhaal zoals heel de heilige Schrift vol staat met verhalen hoe mensen omgaan met God, hoeveel waard God voor mensen kan zijn, of beter gezegd: hoe God omgaat met mensen.

Laten we die vrouw eens nader bekijken. Ze was weduwe, hetgeen aan haar kleding te zien was, en tegelijkertijd was ze straatarm. Ze leed aan een ongeneeslijke, schrijnende wonde. Hoe ze het ook wendde of keerde, altijd voelde zij het gemis, haar afhankelijkheid. Er hoefde maar iets te gebeuren in het maatschappelijke leven, bijvoorbeeld dat de prijs van het brood omhoog ging, en meteen zat ze onder de armoedegrens. Datzelfde gevoel kunnen mensen hebben, die met een gebrek zitten waar ze maar niet overheen kunnen komen, een gevoeligheid, een kwetsbaarheid, een wonde die maar niet wil dichten. Niet zichtbaar, niet openlijk, dan kunnen mensen nog medelijden hebben, maar iets wat niet te zien is. Zo'n vorm van armoede als bij die weduwe, die, zoals we dat noemen, structureel is geworden. Een eigenschap die deel is gaan uitmaken van henzelf.

Deze weduwe voelde dus altijd dat gemis, die frustratie, die hunkering, die vraag waarop mensen geen antwoord kunnen geven, totdat ze merkte: God zélf geeft het antwoord. Of beter gezegd: God zelf is het antwoord. Door haar levensstaat van arme weduwe was zij altijd op God aangewezen en elke keer als zij zich naar God richtte, merkte ze dat God dat beantwoordde, dat Hij zijn Aanschijn over haar deed lichten. En dat voelde ze aan als een rijkdom, of met de woorden van Jezus: als "een schat in de hemel" (Mt 19,21; vgl. Mc 10,21; Lc 12,33; 18,22). In al haar armoede, maar ook dóór haar armoede, voelde ze zich schatrijk met God in de hemel. Zo is haar armoede haar rijkdom geworden, een rijkdom die ze voor geen goud van de wereld zou willen missen.

Deze vrouw is van haar armoede gaan houden, en wil die gewoon niet meer missen. Dat blijkt uit het gebaar dat ze maakt. Op de eerste plaats is zij met de anderen in de rij gaan staan naar de offerkist toe. Dat was al niet nodig, want weduwen waren van het offeren vrij gesteld. En als ze dan bij de offerkist aangekomen is, heeft zij er niet één cent, het kleinste koperstukje, het kleinste geldstukje in geworpen, maar twee, en dat was "alles waar ze van leven moest." Ongelooflijk hoe dichtbij God bij mensen kan zijn, en hoe persoonlijk, hoe intiem Hij met mensen omgaat. Hij kan Zich zo aan mensen schenken, Hij kan hen zo zijn liefde laten voelen, dat mensen blij kunnen zijn met hun armoede, en dat zij een goed gevoel overhouden bij hun zwakheden.
Dat is eigenlijk het verhaal van God met de mensen. Dat is eigenlijk het verhaal van heel de heilige Schrift. God geeft zijn liefde aan mensen die er met een arm hart voor openstaan, geestelijk arm, arm van geest (vgl. Mt 5,3). Dat is ons heilig geloof en dat willen we nu ook gaan belijden in de Twaalf Artikelen van het geloof.