Bezinnen over roepingsverhalen (2009)

Wij kunnen soms diep geraakt worden door schijnbaar toevallige ontmoetingen met mensen of door bepaalde ervaringen. Nadien beseffen wij dat het God was die ons roept, dat het Gods hand was die ons wenkte. Dat het de H. Geest was die ons de deur toonde die wij mogen openen. Daarover gaan de lezingen van vandaag. Laten wij even bezinnen over wat wij vandaag hoorden over roeping uit de bijbel.

1. Het initiatief van roeping is altijd bij God. God is vrij te bepalen wie hij roept en wanneer hij roept. Hij roept Saül, een rijzige, mooie jonge man, flink van lijf en leden. Hij roept David, nog maar een jongen die de kudden schapen hoedt. Hij roept Levi, de tollenaar, van wie iedereen zegt dat hij een collaborateur is en een afperser. Hij roept Samuël, de stille knaap, die zijn kinderjaren sleet in het heiligdom. Hij roept Johannes die zo'n wonderbare ontvankelijkheid had voor de boodschap van de liefde.
God kiest een mens niet omdat Hij die mens beter vindt dan anderen. Hij heeft ook ons niet geroepen omdat wij beter zouden zijn dan anderen. Laten wij dan beseffen dat er anderen waren met meer edelmoedigheid, vurigheid en talenten dan wijzelf.
Achter iedere roeping is het mysterie van Gods absolute vrijheid. Wat heeft God in mij gezien dat Hij met mij iets meende te kunnen doen ? Het initiatief ligt bij God, maar soms hoort de mens de roepstem niet. Hij kan de stem van God verwarren met de stem van een mens. Zo overkwam het de kleine Samuël toen God onverwacht het woord nam in zijn leven.

2. Zo komen wij tot de tweede gedachte. Mensen moeten mensen helpen om de stem van God te horen, om er achter te komen dat het God is die spreekt. God roept mensen, maar gewoonlijk niet zonder de tussenkomst van mensen.

Eli, de onbeduidende hogepriester zonder invloed, maar ook een vereenzaamde bejaarde man, leert Samuël dat God spreekt in zijn leven. Johannes de Doper zegt tegen Johannes en Andreas: "Zie het Lam Gods". Andreas zegt tegen zijn broer Simon: "Wij hebben de Messias gevonden" en hij bracht hem bij Jezus.

Als wij achteruit kijken in ons leven, dan kunnen wij ons vele dingen herinneren en zeggen: "Die mens en die mens heeft mij op de weg gezet naar Jezus." Dit moet ons tot heel grote dankbaarheid stemmen voor vele mensen die in ons leven een rol gespeeld hebben. Het mag ons doen inzien dat wijzelf ook geroepen zijn om anderen de weg naar Jezus te helpen vinden. Moeten wij niet een beetje proberen voor opvolgers te zorgen ?

3. Het derde waarop wij de aandacht willen vestigen, is de reactie van de mensen die geroepen worden. Die wordt in de bijbel op vele manieren uitgedrukt. Bij de roeping van Matteüs was zijn reactie: "De man stond op en volgde Hem". Ingaan op de roeping veronderstelt edelmoedigheid en bereidheid om te veranderen. Simon krijgt bij zijn roeping een nieuwe naam: "Gij zult Kefas genoemd worden, dat betekent Rots." Petrus, de wispelturige mens met zijn hoogten en laagten, moet een rots worden. Een steen waarop mensen kunnen stappen zodat zij niet verzinken in de modder van twijfel en ongeloof. Ook Johannes moet veranderen. De "donderszoon", die het vuur wilde afroepen over een dorp van Samaritanen, moet een lange weg afleggen naar het geduld en de zachtheid van de liefde.
Samuël antwoordde bij zijn roeping: "Spreek, Heer, uw dienaar luistert". De geroepene moet luisteren lang en aandachtig. Andreas en Johannes antwoorden bij hun roeping: "Meester, waar houdt Gij u op?" Waar zijt Gij thuis ? Waar is het hart, de kern van uw bestaan ?

Twee gebeden worden ons kant en klaar in de mond gelegd: "Spreek,Heer, uw dienaar luistert." En "Meester, waar woont Gij?"
Er staat echter nog een woord dat de reactie van de geroepenen aanwijst: "Die dag bleven zij bij Hem." Dat woordje "blijven" moeten wij begrijpen. Het wijst op een zekere duur, op een innigheid. De hele avond zijn zij bij Jezus gebleven. Vele jaren later weet Johannes nog hoe laat het toen was.

Ook wij moeten veel en lang bij Jezus blijven, luisteren, zoeken en erachter komen waar Jezus woont. Dan zullen wij uiteindelijk niet met lege handen en met een leeg hart bij de mensen verschijnen.
Wij zijn geen contemplatieven, maar wij trachten toch een bezinnende levenshouding te hebben.

Als wij lang genoeg bij Jezus verwijlen, ons in zijn mysterie onderdompelen, zullen wij ooit een beetje met Johannes kunnen zeggen:

"Wat wij hebben gehoord en met eigen ogen gezien,
wat wij hebben aanschouwd en met onze ogen hebben aangeraakt
van het Woord des Levens, dat verkondigen wij ook nu, opdat
gij gemeenschap moogt hebben met ons."