Wat verlangt gij? (2009)

Wat, wie, waar, hoe, wanneer, op welke wijze, waartoe, waarom? Een variatie aan vragen. Wij kunnen niet zonder vragen en krijgen graag een antwoord.. Als we een vraag horen, moeten we rekening houden met de wijze waarop ze is gesteld. Aan het stellen van vragen gaat meestal een proces vooraf van uitkijken en aftasten.

In het eerste ontmoetingsverhaal met Jezus klinken twee vragen. De eerste vraag komt uit zijn mond. Hij richt zich tot twee leerlingen uit de groep van Johannes. Johannes heeft hun de weg getoond naar Jezus. Hoe gaan deze naar Jezus? Met welke gevoelens spreken ze hem aan? Jezus zoekt hen niet op. Hij gaat zijn weg. Toch kijkt hij om. Je kan voelen dat iemand achter jou aan komt. Met welke bedoelingen komen ze? Wat willen zij? Jezus stelt hun de vraag: “Wat verlangt gij?” Dit is zijn eerste vraag. Zij geeft weer dat hij open staat voor mensen. Dat hij bereid is te helpen. “Wat kan ik voor jou doen?”, vragen we wanneer wij een mens welwillend ontvangen. Wij drukken onze bereidheid uit en tonen zo wie we willen zijn voor een medemens.

Wij vragen niet aan elkeen naar wat hij of zij verlangen. Dit zou zelfs heel indiscreet zijn. Het is pas wanneer wij vermoeden dat iemand op zoek is, dat hij/zij informatie wenst, dat hij/zij wellicht in contact wil komen, dat wij hem/haar vragen: “Wat verlangt gij?”

In elke mens steekt een verlangen. Wat houdt dit verlangen in? Naar wat of wie verlangen wij? Het is in wezen zoeken naar onze oorsprong en reikhalzen naar ons eindpunt. Het is een verlangen naar volheid. Wij zijn gekenmerkt door begeerte en verlangen. “Wie begeert, moet onherroepelijk op weg” (A. Vergote, Bekentenis en begeerte in de religie, DNB, 1980).

De Duitse taal gebruikt gaarne het woord ‘Sehnsucht’. Sehnsucht duidt op een sterk en vurig verlangen. “Alles beginnt mit Sehnsucht.” Pelgrims naar Compostela omschrijven hun weg als “Der Weg der grossen Sehnsucht.”

“Meine Sehnsucht nach Wahrheit war ein einziges Gebet.” Zo vatte Dr Edith Stein haar leven samen. Deze zin en enkele andere zijn aangebracht in de twee glasramen in lood, die op 12 oktober 2008 ingezegend werden in de Sint-Landricuskerk van Echt (Nl). Op 2 augustus 1942 werd Zuster Edith in de Karmel van Echt aangehouden en weggevoerd naar het kamp Westerbock.

Charles Melman, Franse psychoanalyticus, beweert dat de psychoanalyse in crisis verkeert omdat het impact van het verlangen is verminderd. De consumptiecultuur schept de indruk dat elk verlangen direct kan vervuld worden. In plaats van de verdringing van het verlangen komt de onmiddellijke voldoening (Charles Melman, Entretiens avec Jean-Pierre Lebrun, L’Homme sans gravité. Jouir à tout prix, Paris, 2002).

De twee eerste leerlingen vragen aan Jezus waar hij woont. Blijkbaar een eenvoudige vraag vanuit nieuwsgierigheid en belangstelling. “Waar woont gij, waar houdt gij u op?” Een zijdelingse vraag om eigenlijk te weten wie hij is. Alsof je iemand beter kent, als je weet van waar hij is en waar hij woont. Zij willen nagaan of Johannes hun de juiste persoon heeft aangewezen.

Een mens is kind van zijn omgeving en zijn thuis. Hij is nauw met zijn woning verbonden. Ze draagt zijn stempel. Wonen, dit is zo belangrijk voor iedereen. Daar kan je mensen onthalen en ben je thuis. Daar kunnen anderen thuis komen. Waardig en gezond wonen, een recht voor elke mens. Wonen wijst op een houvast, een stabiliteit, al kan een woonst het centrum zijn van een veelvuldige afwezigheid. Een huis is iemands tweede huid. Waar zijn we thuis? Habitare secum; Bei sich daheim sein; thuis zijn bij jezelf.

Maar over de plaats waar Jezus woont, vernemen we nauwelijks iets. “Kom en zie”, zei hij. Uit het evangelie van Johannes kunnen we niet opmaken waar hij woont. Hij heeft geen vaste stek. Hij was meestal onderweg (Christian Bobin, L’homme qui marche, 1995). Zijn leven is een trektocht door Galilea en Samaria naar Jeruzalem. Nergens thuis, tenzij even bij zijn vrienden, bij Lazarus, bij Martha en Maria.

De schrijver van het vierde evangelie noemt Jezus herhaaldelijk de man, die van bij de Vader komt en die naar de Vader terugkeert. Door met Jezus mee te gaan, zullen de leerlingen de Vader ontmoeten. Zij ontdekken dat er bij de Vader plaats en ruimte is voor velen (Joh. 14,1-4).

“Kom en zie.” Andreas laat horen wat hij heeft gezien en wie hij heeft ontmoet. Hij spreekt niet over een huis en een woonst. Wanneer hij zijn broer Petrus terug ziet, zegt hij hem dat hij de Messias heeft gevonden. Hij is er blij om en hij laat anderen in die vreugde delen. Andreas is de eerste missionaris. Hij brengt zijn broer bij Jezus. Zo begint Andreas met zijn netwerk. Wie met Jezus in contact komt, is door hem getekend en wijst naar hem.

“Wij hebben de Messias gevonden.” Het is in het evangelie van Johannes de eerste en oudste laag van een geloofsbelijdenis. Door het evangelie te lezen en met Jezus mee te gaan groeit en verfijnt deze geloofsbelijdenis. Ze verandert het leven van hen, die Jezus hebben gevonden.

 


Broeder Aloïs schrijft in de brief uit Kenia over het verlangen:

 

“Ieder mens heeft een verlangen in zich naar iets ‘hogers’, iets absoluuts, waarop hij heel zijn wezen kan richten: lichaam, ziel en verstand. Iedereen, van baby tot bejaarde, verlangt vurig naar liefde. Zelfs de meest intieme menselijke relatie kan dit verlangen niet volledig vervullen.

Vaak beschouwen wij deze verlangens als een tekort of als een leegte, die ons soms kan verscheuren. Maar zij maken deel uit van onze identiteit en zijn dus zeker geen afwijking. Ze zijn een geschenk; zij dragen Gods oproep aan ons om open te gaan, al in zich.

Zo wordt ieder van ons dus uitgenodigd om zichzelf af te vragen: welke grensoverschrijdende stap wordt er nu van mij gevraagd? Het gaat niet altijd om ‘meer doen’. God vraagt ons om meer lief te hebben. En omdat de liefde ons hele bestaan nodig heeft om zich te kunnen uiten, is dit onze opdracht: wegen zoeken om onze naaste behulpzaam te zijn, zonder ook maar één minuut uitstel.”