Roepen en geroepen worden B (2012)

We hebben zonet geluisterd naar twee roepingverhalen.

Nu behoort het woord roeping niet echt meer tot onze dagelijkse woordenschat. Het klinkt een beetje vreemd, verouderd ook en we geven er vaak een verkeerde invulling aan. Niet alleen zijn we geneigd het begrip roepen letterlijk te nemen, in het verleden werd er ook wel eens een beetje magische invulling aan de term gegeven.

 

Wat hebben we bijvoorbeeld gedacht bij de eerste lezing?

Samuël wordt op een nacht driemaal door God geroepen. Hij begrijpt het niet en gaat telkens opnieuw slapen. Hij denkt zelfs dat de roep van Eli, zijn meester, komt. Het is Eli die hem zegt dat het eigenlijk God is die hem roept. En dan pas zegt Samuël: "Spreek, Heer, uw dienaar luistert".

Het klinkt misschien was toverachtig en niet meer van deze tijd. Maar zo vreemd is het eigenlijk niet.

We hebben het allemaal al vaak genoeg meegemaakt dat iemand ons probeert te roepen. We komen volk tekort in onze vereniging, geen zin om mee te doen? We moeten een nieuwe vakbondsafgevaardigde kiezen, ben jij geen kandidaat?

Ons oudercomité heeft een nieuwe voorzitter nodig en wij dachten … Er is nog volk tekort in de catechese voor dopelingen, eerste communicanten en vormelingen. We zoeken nog heel wat helpers voor de parochiefeesten.

Heb je er al eens aan gedacht of je niet in aanmerking komt om zieken te bezoeken? Om mensen te steunen bij het verwerken van een zwaar verlies? Of wil je het PT komen versterken?

Enzovoort, enzovoort.

 

Als we een dergelijke vraag krijgen, gaan we op zijn minst even nadenken. Kan ik die verantwoordelijkheid wel aan? Ben ik wel een geschikte kandidaat? Heb ik de juiste talenten of vaardigheden? En misschien vooral: wil ik daar wel tijd voor vrijmaken? Maar dan komen er andere mensen die dezelfde vraag stellen. Die ons proberen te overtuigen.

Net als Samuël hebben wij andere mensen nodig om ons helder te doen zien. En om ons misschien over de streep te trekken.



In het evangelie is het ook iemand anders die de leerlingen hun roeping doet inzien. Johannes de Doper zoekt niet naar medewerkers voor zichzelf, hij wijst Jezus aan als degene die zij moeten volgen. Hij gebruikt daarvoor een term die voor de Joden heel duidelijk was, maar voor ons intussen veel minder. "Daar is het Lam van God" zegt hij.

 

Het lam van God: we gebruiken de aanspreking in elke viering, we hebben het al zo vaak gezegd dat de betekenis verloren dreigt te gaan. Voor de Joden lag dat anders. Bij hen komen er twee beelden uit de schriften naar voor: het paaslam aan de ene kant en aan de andere kant het lam dat met Goede Vrijdag naar de slachtbank wordt geleid. In dat ene beeld van het Lam Gods komen vele betekenissen samen: uittocht, redding, verzoening, lasten dragen, schulden dragen, voorspraak zijn.

 

En de leerlingen gaan naar Jezus toe, maar ze vragen wel eerst wat meer uitleg.

Dat zouden wij ook doen, geconfronteerd met één van de vragen die ik daarnet als voorbeeld gaf. Voor ik dat engagement misschien aanga, wil ik wel weten wat het inhoudt. Waar gaat het allemaal over, wat brengt het met zich mee, welke voorwaarden en gevolgen zijn eraan verbonden?

De leerlingen vragen Jezus: "Waar houdt Gij verblijf?" Dat is een heel andere vraag dan: "Waar woont Gij?"

De leerlingen zijn niet op zoek naar een adres, naar een huis of een straat. Hun vraag is: "Waar verblijft Gij?" Dat wil zeggen: waar ben je mee bezig, hoe verloopt een dag bij jou, waarmee is je leven gevuld, wat voor iemand word ik als ik meedoe?

 

Als ouders ongerust hebben zitten wachten op een ouder wordende puber die te laat thuiskomt, vragen ze nadien ook: waar ben je geweest? Ook zij vragen niet naar een adres, maar ze bedoelen: in wat voor een gelegenheid ben je geweest, met wie en wat hebben jullie daar gedaan?

Zo ook die leerlingen. En Jezus zegt hen: "Ga mee om het te zien". Zoals in de voorbeeldjes van daarstraks.

Kom maar eens kijken, probeer eens mee te doen en dan kan je oordelen of het iets voor jou is. En in het evangelie is het resultaat duidelijk: waar Jezus verblijft, willen de leerlingen ook blijven. Blijven betekent hier verbonden blijven en ook: zich thuisvoelen. Waar we ons thuis voelen, daar willen we blijven.

En dan is er nog Andreas die er zijn broer gaat bijhalen. Geroepen worden is niet wereldvreemd, integendeel. Belangrijk is immers ook dat je in staat bent Jezus te vinden in je eigen omgeving. En dan kan je ook andere mensen roepen. Te beginnen bij je eigen familie en vrienden. Dat is wat Andreas doet.

 

En als Jezus dan Simon verwelkomt geeft Hij hem meteen een andere naam. Wie Jezus ontdekt wordt blijkbaar een ander mens. Vorige week hoorden we hoe de wijzen uit het oosten het kind bezochten. En dan langs een andere weg naar huis terugkeerden. Ook hun leven was veranderd en overhoop gegooid. Zij volgden een andere weg.

Simon kreeg een andere naam.

Maar nog eens: zo vreemd en zo magisch is het allemaal niet. Eli doet Samuël zijn roeping begrijpen. Johannes stuurt zijn leerlingen naar Jezus. En Andreas vindt het allemaal de moeite waard om zijn broer erbij te halen.

Het is van alle tijden.

Roepen en geroepen worden.

Dat is wat mensen doen met elkaar.