Beheren is meer dan bewaren (Mt. 25,14–30)

Wat heb je gedaan met wat jou is toevertrouwd?

Wat heb ik gedaan met wat mij is toevertrouwd?

Wie veel heeft gedaan, denkt soms dat hij te weinig heeft gedaan.

Wie weinig deed, doet nochtans alsof hij alles heeft verzet.

Met de parabel over de drie dienaren, die elk afhankelijk van hun mogelijkheden een opdracht krijgen, wijst Jezus op onze verantwoordelijkheid.

Mattheus bewerkt wellicht een parabel, die lijkt op deze bij Lucas (Lc. 19,12-27). Hij plaatst hem na de gelijkenis van de bruidsmeisjes en vóór het toneel van het Laatste Oordeel. De eerste christenen waren in de verwachting van de terugkomst van de Heer en zij beluisterden deze parabels vanuit dit perspectief.

Dit ogenschijnlijk eenvoudig parabeltje is niet zo gemakkelijk.

Het werd aangewend om jongeren te motiveren om hun begaafdheid aan te wakkeren. De begaafdheid is als een talent.

Het is op school gebruikt om ons te bepreken, om te zeggen dat wij onze talenten, moeten ontwikkelen. Veel jongeren krijgen wegens hun economische en sociale situatie geen kansen om hun talenten te ontwikkelen.

In de parabel van Jezus betekent talent een grote som. Talenten staan allereerst voor geld, Hij klinkt als een oproep om te werken en te verdienen, alsof leven enkel maar dat zou zijn. Schaffen schaffen häusle bauen! Werken, werken!

De parabel heeft het over ongelijkheid. Waarom kan de ene meer dan de andere? Waarom is de ene door afkomst begenadigd en de andere van bij de start achter uitgesteld?

Is het geld onze meester?

De rijke man die naar het buitenland vertrekt en aan zijn dienaars grote sommen uitdeelt en naderhand met hen afrekent, wijst zeker niet op Jezus, noch op zijn Vader. Jezus heeft gewaarschuwd dat we niet tegelijkertijd God en de mammon tot vriend kunnen hebben (Mt 6,24).

Die rijke man is immers niet het personage, dat wij als voorbeeld moeten nemen. Iemand met zoveel geld wekt argwaan. G. Lohfink heeft weinig goede woorden voor deze man. Hij beschouwt hem als een ‘miljonair op zakenreis’. Hij lijkt op die schuldeiser, die met grote sommen kan jongleren (Mt 18,23-30). Deze man en die schuldeiser drinken uit het zelfde vaatje. Het gaat over geld. Opnieuw astronomische cijfers. We dragen nog steeds gevolgen van de bankencrisis. De economie is een wereld, waar het hard aan toe gaat. Hoe komt iemand aan zoveel geld? Zou de evangelist Matheus toch de tollenaar zijn, die vanuit zijn werk inzicht had over wat er verdiend, verhandeld, gewoekerd en opgestapeld.

De Duitse exegeet typeert de miljonair uit de parabel als een immoreel figuur. “Deze ‘heer’ behoort tot de rijksten, want hij overhandigt zijn ‘dienaren, - slaven die een hoge positie bekleden of bedienden met een grote verantwoordelijkheid – een enorme som geld. Deze man is bovendien een opschepper, want hij noemde deze hoge bedragen ‘een weinig’, een kleinigheid dus. Dit is natuurlijk een uitgesproken understatement. Vandaag doen bankiers even grootsprakerig en hebben het over peanuts. Dat deze opschepper op immorele wijze zaken doet, bevestigt hij heel uitdrukkelijk tegenover de derde knecht: ‘Je wist dus dat ik maai waar ik niet heb gezaaid en oogst waar ik niet heb geplant’ (Mt. 25,26).”

“Dit wil zeggen dat deze man gebruik maakt van slechte handelspraktijken. Hij buit anderen uit en leent geld uit tegen woekerprijzen. Hij int, hij vergaart. Waarschijnlijk speculeert hij telkens weer en neemt hij daarbij grote risico’s. Nu gaat hij voor enige tijd naar het buitenland, misschien om nieuwe financiële bronnen aan te boren of om geld op te halen.” (G. Lohfink, Jezus van Nazaret, p. 202-203).

De eerste en de tweede dienaar zijn al even ‘clever’ als hun meester. Zij slagen er in de hun toevertrouwde som te verdubbelen. “Met solide kopen en verkopen haal je zoiets niet, alleen maar met zaken doen achter gesloten deuren, met gewaagde transacties voorbij de legaliteit, die echter heel zeker overeenkomen met de handelspraktijken van de heer” (Ibid, p. 203-204).

De derde knecht

Daartegenover lijkt de derde dienaar eerder van een andere morele ingesteldheid. Hij doet niet mee aan zulke praktijken. In de visie van bijbelverklaarders zoals Luise Schottroff, die beïnvloed zijn door de bevrijdingstheologie en de optie voor de armen, is de derde dienaar bijna een held. Hij durft zich immers verzetten tegen zijn heer en tegen het systeem, dat deze belichaamt. Om zijn, verzet tegen zulk systeem, wordt hij vervolgd en beroofd. De sympathisanten voor de handelwijze van de derde dienaar zien in hem het lot van Jezus, die weldra zijn lijdensweek ingaat. Zij plaatsen hem bij de groep die zonder het zelf te beseffen de Mensenzoon gediend hebben in de armen en de hongerigen.

In de gelijkenis heeft de derde man het toch verkorven. Hij was bang voor risico’s. Hij stopt het geld in de grond. Hij verliest het niet, maar leefde toch in de vrees dat iemand anders de som zou vinden en meenemen. Hij kan voor zijn handelen er de joodse wet bijhalen, die zegt dat er geen interest mocht gevraagd van eigen volk. “U mag geen rente vragen als u iets aan een volksgenoot leent, of het nu gaat om geld of voedsel of wat u ook maar tegen rente te leen kunt geven. Van een buitenlander mag u wel rente heffen, maar niet van iemand van eigen volk. Als u zich hieraan houdt zal de HEER, uw God, u zegenen in alles wat u onderneemt in het land dat u in bezit zal nemen” (Dt. 23,20-21).

In dit verhaal over de speculanten heeft de derde verloren omdat hij geen risico’s wou nemen. Schrik kan verlammen en belemmeren. Dit wordt hem kwalijk genomen. Hij kan weliswaar het ene talent aan zijn baas teruggeven, maar hij verliest meteen wat hij nog bezat en gaat zelf ten onder.

Waakzaam en verantwoordelijk zijn

Met het verhaal van Jezus over immorele praktijken, over speculanten en gokkers doet Jezus een uitspraak over Gods heerschappij. “Jezus spreekt van het plan dat God heeft. Hij spreekt van het nieuwe dat God te midden van de nieuwe samenleving tot stand wil brengen. Gods zaak zal niet slagen met lafaards, met mensen die niet in beweging komen, die zichzelf voortdurend willen veilig stellen, die liever afwachten dan handelen. Gods nieuwe samenleving zal maar slagen, als mensen bereid zijn risico’s te nemen, alles in te zetten, alles op alles te zetten en met een uiterste vastberadenheid ‘doeners’ worden (G. Lohfink, Jezus, p. 204-205).

Jezus richt zich tot zijn leerlingen en tot allen die hij betrekt in de verkondiging van het rijk Gods. De christelijke gemeenschap kan niet passief afwachtend toezien, maar zal risico’s opnemen. Jezus verwacht van de christenen dat zij van hem getuigen en leven zoals hij heeft gedaan. Dat zij durven gaan tot aan de periferie, aanwezig zijn bij armen en daden stellen die iets van de weldaden van dit rijk bij mensen brengen.

Wij behoren tot de pelgrimerende kerk in een wereld met blijvende barensweeën. Wij willen in alles aan de Heer behagen en standhouden in het goede: “Daar wij dag noch uur kennen, moeten wij zoals de Heer ons vermaant, voortdurend waken om bij het einde van onze enige aardse levensloop (cf. Hebr. 9,27) met Hem ter bruiloft binnen te gaan en bij de gezegende geteld te worden (cf. Mt. 25;31-46) en niet zoals de slechte en luie knechten (cf. Mt. 25,26) te worden weggeworpen in het eeuwige vuur (cf. Mt. 25,41), in de duisternis buiten, ‘waar geween is en tandengeknars’ (Mt. 22,13 en 25,30)” (Lumen Gentium, hoofdstuk VII over het eschatologisch karakter van de pelgrimerende kerk en haar eenheid met de kerk in de hemel, n° 48)

Jezus heeft ons zijn boodschap toevertrouwd en ons daartoe uitgerust met de gave van de heilige Geest. Wij kunnen ze met anderen delen en aldus vreugden vermeerderen. De talenten die de man aan zijn drie knechten uitdeelde kunnen ons op het spoor brengen van de charismata, die de Heilige Geest uitdeelt. Op het tweede Vaticaans concilie verklaarden de bisschoppen het volgende: ‘Bovendien heiligt, leidt en vervolmaakt dezelfde Heilige Geest het volk Gods niet alleen door de sacramenten en de bedieningen; maar, zijn gaven ‘aan ieder uitdelend, zoals Hij het wil’ (1 Kor. 12, 11), schenkt Hij aan de gelovigen van iedere rang ook speciale genaden, waardoor Hij hun de geschiktheid en de bereidheid geeft om allerlei werken of taken op zich te nemen voor de vernieuwing en bredere uitbouw van de Kerk, volgens het woord: ‘Aan ieder wordt de openbaring van de Geest meegedeeld tot welzijn van allen’ (1 Kor. 12, 7). Deze charismata, zowel de meest schitterende als de meer eenvoudige en meer algemene, die volledig zijn afgestemd op de noden van de Kerk en daarin voorzien, moeten met dankbaarheid en als een bemoediging worden aanvaard.”

Deze gaven mogen we niet in de grond begraven. “Doof de Geest niet uit. Onderzoek alles. Behoed het goede” (1 Thess. 5,19-20). Gebruik de gaven tot opbouw van het geheel.