Negenentwintigste zondag door het jaar (2009)

Inleiding

'Heer, ik roep U aan.' De Kerk legt deze woorden in de mond van Jezus. Hij bidt, Hij roept God aan, Hij schreeuwt zelfs naar God: "Hij heeft onder luid geroep en geween gebeden en smekingen opgedragen aan God die Hem uit de dood kon redden" (Heb 5,7). 'Want bij U vind Ik verhoring', zo gaat de openingstekst verder. "Om zijn vroomheid is Hij verhoord" (Heb 5,7). 'Heer, ik roep U aan, want bij U vind ik verhoring.'
Dát heeft Jezus willen dragen, onze noden. Hij heeft precies dezelfde beproevingen gekend als wij, behalve de zonde. En door precies dezelfde beproevingen te dragen als wij, daardoor heeft Hij ons met God verzoend, daardoor is er vrede gekomen tussen God en ons. God is de macht van de machtelozen. De Almachtige staat ons ter beschikking wanneer wij in onze onmacht in vertrouwen roepen tot Hem. De eerste keer dat dat is gebeurd, was bij het doopsel, door de meesten van ons ontvangen toen wij nog heel klein waren. We konden alleen nog maar roepen, schreeuwen, huilen. Maar dat was voldoende om verhoring te vinden bij God.
Dat Hij ons eerste roepen heeft gehoord, dat is wat wij op zondag gedenken en vieren,

Homilie

In de eerste lezing hoorden we, dat "De Heer heeft besloten zijn Dienaar te vernederen en Hem te doen lijden." Een Vader die besloten heeft zijn Zoon te vernederen en Hem te doen lijden, Hem terecht te laten stellen op het kruis, de diepste vernedering te laten ondergaan als een ding, als een plank vastgespijkerd te worden. Dat kan toch niet! God zelf die zijn eigen Kind ten offer brengt. Dat is barbaars! Zoiets afschuwelijks deden de heidenen. En dat was nu net wat de God van Israël zijn volk verweet, dat zij die heidense gewoonte hadden overgenomen. Want zo staat er bij Jeremia: "Ze bouwden de offerhoogten van Tofet in het Ben-Hinnom-dal om er hun zonen en dochters te verbranden, ofschoon Ik dat niet bevolen had en er nooit van heb willen weten" (Jr 7,31). Dat kan toch niet.
Maar zo is het ook niet. Het is niet alleen de Vader die zijn Zoon wil vernederen, het is ook de Zoon die Zich wil láten vernederen, want dat staat er ook: "Waarlijk, Hij gaf zijn leven als zoenoffer", vrijwillig. "Door zijn zwoegen zal mijn rechtvaardige Dienaar velen rechtvaardigen. Hij zal zich belasten - vrijwillig - met hun fouten." De Vader wilde het, maar de Zoon ook. Ze zijn één in dezelfde heilige Geest van offerbereidheid

De heilige Bernardus heeft ooit dit gelijktijdig willen van de Vader en de Zoon verenigd met het eenzijdig wilsbesluit van de Vader. Eenzijdig omdat Hij de Vader is en dus de eerste moet zijn, ook in het besluit. Om te voorkomen dat de Vader Hem dat offer zou moeten opleggen, heeft de Zoon voorkomen dat de Vader Hem dat zou moeten opdragen. Het wilsbesluit van de Vader radend, heeft de Zoon aan de Vader gevraagd: Vader, mag Ik mijn leven geven als zoenoffer voor de zonden van de mensheid? Dat is goddelijk! Ieder die het heilig Aanschijn van de Lijkwade van Turijn beschouwt, weet dat hij hier voor iets bovenmenselijks staat, voor iets goddelijks, voor iets van God. De uitdrukking van dit Gelaat heeft iets majesteitelijks. Het geeft een bovenmenselijk geduld weer, een heilig geduld. Het drukt het geduld uit waarmee God onze zonden draagt, verdraagt, en vergeeft. Een majesteitelijk geduld spreekt er uit dat Gelaat! Dat was al voorvoeld door de profeet in de tijd van de Ballingschap, toen Israël overstroomd werd door een mateloos lijden. Dat hebben we in de eerste lezing gehoord. De profeet heeft iemand voorzien die dat mateloze lijden vrijwillig heeft willen dragen.

Misschien heeft zich bij de profeet Jesaja iets voorgedaan als in onze dagen eens is geschied aan professor Presser, de schrijver van een groot werk over de opgang en ondergang van het Joodse volk in Nederland, door de nazi's uitgeroeid. Als goed historicus bediende hij zich van levende bronnen, van ooggetuigen, getuigenissen van Joden die de kwellingen van de ondergang hadden overleefd.
Op zijn uitnodiging kwam er een Jood bij professor Presser in zijn woning om zijn verhaal te doen. Het was één lang verhaal van schrikbarende kwellingen. Toen de man klaar was, deed professor Presser hem uitgeleide en vlak bij de deur legde hij hem zijn handen op en sprak een zegen uit, tot verbazing van de man en tot nog grotere verbazing van Presser zelf, die ongelovig was. Maar hij was dus níet ongelovig, anders had hij die zegen nooit uitgesproken. Hij zag namelijk met de ogen van zijn hart iets bovenmenselijks, iets van God, iets van een goddelijk raadsbesluit. De Heer heeft besloten zijn Dienaar te vernederen en Hem te doen lijden. Zoiets wat van Jezus staat in de brief aan de Hebreeën: "Wij hebben een Hogepriester die in staat is mee te voelen met onze zwakheden. Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld." De exegeten noemen dat passief gebruik van dat werkwoord: 'werd op de proef gesteld' een 'passivum majestatis', van goddelijke majesteit, die je niet bij zijn Naam noemt, die hoogverheven is boven alle namen. In dat woord 'majesteit' zit het woord 'majus' in, en dat betekent: groter, groter dan wie dan ook. "Hij werd op allerlei manieren op de proef gesteld" (door God), precies zoals wij, afgezien van de zonde. Daarom, ook als wij lijden, heeft de goddelijke Majesteit daar de hand in, of is zijn Hart erbij.

In het evangelie zegt Jezus tot zijn twee leerlingen, die bezig zijn hun ellebogen te gebruiken, belust op macht als ze zijn om gediend te worden: "Zijt gij in staat de beker te drinken die Ik drink en met het doopsel gedoopt te worden waarmee Ik gedoopt word?" Ook hier weer dat passief. En juist van dat gedoopt wórden in het lijden, van zijn bloeddoopsel, dáárvan zegt Jezus: "Ik moet een doopsel ondergaan en hoe beklemd voel Ik mij totdat het volbracht is" (Lc 12,50). Ik wíl dat, Ik ben daarop gebrand. Ik ben één en al verlangen.
"Ik moet een doopsel ondergaan ...". Is het dan toch een moeten? Is het dan toch gedwongen, een bevel? Nee het moeten van Jezus is een vrij moeten, een innerlijk moeten, een heilig moeten, het moeten van het geweten. Zoals iemand kan zeggen: ik wist dat ik dat moest doen, moest zeggen. Niemand heeft het mij opgelegd, maar een stem in mijn binnenste heeft het mij gezegd, de stem van mijn geweten.

Dat was ook het 'moeten' van Edith Stein. Toen de razzia's onder de Joden in Hitler's Duitsland in volle gang waren, schreef ze deze woorden in haar dagboek: 'Die Selbsthingabe ist die freieste Tat der Freiheit.' 'De overgave van zichzelf is de meest vrije daad van de vrijheid.' Het is niet een moeten van buitenaf, maar het innerlijke moeten van binnenuit. 'Want', zegt ze, 'na elke ontmoeting met mensen, met wie ik sprak over wat de Joden werd aangedaan en wat ze daaraan zouden kunnen doen, hoe ze dat zouden kunnen voorkomen, werd in mij de onmacht voelbaar van elke directe beïnvloeding. Dan verscherpte zich in mij de dringendheid van het totale offer.' Zij vroeg toen aan haar overste zichzelf aan het Hart van Jezus te mogen aanbieden als zoenoffer voor de vrede. Kort voor haar dood, zo is te lezen in haar dagboek: 'Das innigste Wesen der Liebe ist: Hingabe.' 'Het meest innige wezen van de liefde is overgave.'

Daarop is uw leven als monialen gebouwd. Is het monastieke leven niet gebouwd op een sterk gevoel van de beperkte vruchtbaarheid van directe beïnvloeding, van direct apostolaat, van directe goede werken, of inzet voor vrede. Wat een wonderlijke macht is de macht der machtelozen. Als je niets kunt, als je met je mond vol tanden staat, als anderen je kleineren, je doen dichtslaan, je kwetsen, je bezeren, of als je lichamelijk niet meer uit de voeten kunt, als je je werk vruchteloos ziet worden, ziet mislukken, en je neemt dat in liefde aan, dan is dat vruchtbaar, vruchtbaar voor de vrede, vruchtbaarder dan welke andere poging tot verzoening, dan welke andere weg tot directe beïnvloeding.

In elk geval is dit de reden waarom de Kerk de gelovigen elke zondag eucharistie laat vieren: om zich te laten onderdompelen in dat eindeloos vruchtbare zelfoffer van Jezus. Daardoor kunnen wij, zoals het in de brief aan de Hebreeën staat, "vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp." Wij zijn dicht bij de Bron van de liefde, waarvan Edith Stein zegt, dat dat het innigste wezen is van God. Hij is liefde, Hij is zelfgave en overgave.