De plaats in het rijk Gods

"Toen kwam de vrouw van Zebedeus met haar twee zonen bij Jezus, ze viel voor Hem op de knieën om Hem iets te vragen. Hij zei tegen haar:‘wat wil je‘? Ze antwoordde: „Zeg dat deze twee zonen van mij een plaats krijgen in Uw koninkrijk, één rechts, en één links van U.“ Maar Jezus antwoordde:. “Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik zal drinken?” Ze zeiden Hem: “Ja, dat kunnen we.” Hij zei hun: “Mijn beker zullen jullie drinken, maar rechts en links van mij zitten? Het is niet aan mij om dat te vergeven. Dat wordt aan diegenen gegeven, voor wie dat door mijn Vader is weggelegd.”

Beste vrienden,

is er u iets opgevallen? Dit is de versie waarin Mattheus dezelfde scene overgeleverd heeft. Bij Mattheus waren het niet de beide zonen zelf die bij Jezus kwamen, maar was het hun moeder die Jezus vroeg om in het rijk Gods de plaatsen links en rechts van hem voor haar zonen te reserveren..

Dezelfde scene – en toch zo verschillend!? Daar klopt toch iets niet. Wie heeft die vraag nu in werkelijkheid gesteld? De moeder? Of de twee zonen zelf, zoals Marcus het vertelt? Beide kan moeilijk.

Weten jullie wat ik denk? Toen Mattheus zijn evangelie neerschreef, waren er sinds Marcus bericht al meer dan 20 jaren voorbij. Beide zonen van Zebedeus waren intussen niet alleen eervol grijs geworden, maar waarschijnlijk ook al overleden. Ze waren apostelen en leiders van hun gemeenten geweest. En leiders van de gemeente werden geëerd, en misschien al wel vereerd. De tekst van Marcus was intussen al wat pijnlijk geworden. Die twee grote mannen die, juist zoals anderen ook, gewoon kleinzielig op postjes uit waren, en hun oog lieten vallen op erkenning, carrière en ereplaatsen. Dat is toch pijnlijk! Ik denk dat Mattheus die twee apostelen gewoon een beetje wilde beschermen. Aan de vraag is er toch helemaal niets veranderd, de twee apostelen worden alleen een beetje uit de vuurlijn genomen, hij laat hun moeder die pijnlijke vraag stellen. De kleine vlek in de gedachtenis van de zonen van Zebedeus wordt wat weggewerkt, maar vermoedelijk hebben ze die vraag wel degelijk zelf gesteld.

Marcus laat daar geen twijfel over bestaan. En de reactie van de andere leerlingen laat ook geen ander besluit toe. Want die waren heel kwaad op Jacobus en Johannes, die daar probeerden om bij “de baas” op een goed blaadje te komen en voor zich de lucratiefste posten wilden opeisen.

En Jezus? Jezus was eigenlijk alleen maar droevig: droevig over het feit dat zijn twee naaste vertrouwelingen, en dat reeds helemaal bij het begin van het christendom, wedijverden om postjes, om carrière en om machtsposities; droevig om de jaloersheid en de nijd waarop de andere leerlingen daarop reageerden; droevig ook omwille van het feit dat geen enkele van zijn leerlingen had begrepen waar het Hem eigenlijk om ging. “Jullie weten niet wat je vraagt!”  Die uitroep van Jezus zegt in feite alles! Alsof het navolgen van Jezus tot hoog aanzien, carrière en hoge posten zou voeren. Wie Jezus echt navolgt, die zal door de machtigen niet het hof worden gemaakt, die geeft aanstoot, wordt lastiggevallen, gemolesteerd en blijft in de wereld meestal zonder succes. Wie Jezus echt navolgt zal nooit de carrièreladder beklimmen. De navolging van Christus betekent doorgaans een carrière naar beneden. De navolging van Christus voert naar het kruis.

En zelfs wie erop rekent dat hij dan later in het Rijk Gods, in die andere dimensie van de werkelijkheid waar jezus altijd weer over spreekt, dan tenminste een hoge plaats voor een dienaar van christus zal zijn, die zal ook ontgoocheld worden. want daar zal men dat vergeefs zoeken. Daar zijn geen hoge ambten en geen machtsposities meer, want daar zijn die helemaal niet meer nodig. Christus heeft ons geen postjes beloofd. Hij heeft ons alleen beloofd dat we gelukkig zullen worden. Amen