Als rijke Jezus navolgen? (Mt 10,17-30)

De Duitse wijsgeer Emmanuel Kant vestigde de aandacht op drie kernvragen: 'Wat kan ik weten?' 'Wat moet ik doen?' 'Wat mag ik hopen?'

In het evangelie van Marcus komt een man naar Jezus toe met de gewichtige vraag: “Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?” Zijn vraag betreft het handelen, maar bevat ook de vraag naar wat ik mag hopen en verwachten.

Het is een vraag naar geluk. Als die vraag ons nu wordt voorgelegd, zijn we geneigd een folder aan te reiken over een of andere sessie. We geven misschien de raad mee eens te surfen op internet. Er zijn zoveel sites en initiatieven die wegen en cursussen aanprijzen. Wij kunnen ook tijd nemen om samen de vraag uit te diepen.

Deze man was rijk, dit vernemen we pas achteraf. Wou hij met zijn geld het eeuwig leven kopen? Of is hij zoals elke mens, rijk of arm, gedragen door een verlangen om echt te leven, hier en nu en ook na de dood? Zat hij op een verkeerd spoor door te denken dat wij het eeuwig leven bereiken door ons doen, handelen en werken? Is eeuwig leven niet eerder een geschenk?

Wat moeten we doen?

Hij stelt een heel ernstige vraag. “Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?” Er zijn er niet zovele in het evangelie die deze vraag zo uitdrukkelijk stellen. En zijn we zelf met deze vraag bezig?

“Wat moeten we doen?” Deze vraag stelden mensen aan Johannes de Doper. Deze gaf als antwoord dat zij moesten delen met wie niets heeft. En aan tollenaars en soldaten die deze vraag stelden, gaf hij als antwoord dat zij eerlijk moeten zijn, dat zij niemand mogen uitbuiten (Luc. 3,10-14).

In de Handelingen van de apostelen komt deze vraag opnieuw naar boven. Na de Pinkstertoespraak van Petrus vragen zijn toehoorders: “Wat moeten we doen?” Ze krijgen als antwoord: “Bekeer u en laat u dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden” (Hnd. 2,7-38). Was deze rijke man die ochtend onder de toehoorders?

Wie weten enkel dat hij Jezus ontmoette, wanneer deze op weg was naar Jeruzalem. We hebben er het raden na over wat deze man al wist of Jezus. Of hij wist wat Jezus voordien al had gezegd en gedaan. Jezus had toch al herhaaldelijk gezegd wat wij moeten doen om echt te leven. Van in Galilea had hij de blijde boodschap verkondigd en gezegd: “De tijd is vervuld en het rijk Gods is nabij, bekeer u en geloof in de blijde boodschap” (Mc. 1,15). Maar misschien was dit te vaag en niet concreet genoeg.

Jezus maakte het wel concreet en vooral langs de Bergrede. De zaligsprekingen, die opgeschreven staan in het evangelie van Mattheus, geven de weg aan naar het geluk (Mt. 5, 1-7).

Misschien was hem al verteld wat Jezus gezegd had aan zijn apostelen. Hij had enkele malen over zijn lijden gesproken en over wat hem te wachten stond in Jeruzalem. Jezus had toen al deze levensregel meegegeven: “Wie zijn leven wil redden, zal het verliezen en wie zijn leven verliest omwille van Mij en het Evangelie, zal het redden” (Mc. 8,35).

Leven en handelen volgens de levensgeboden

Misschien had die man dit alles al gehoord en wou hij het nu rechtstreeks horen uit de mond van Jezus zelf. Misschien was dit alles hem onbekend. Maar met dit verlangen naar het volle leven durfde hij het aan om zijn vraag aan Jezus voor te leggen. Hij wist dat Jezus een goede meester was. Hij verschiet wanneer Jezus dit van zich afschuift. Jezus verwijst naar de enige bron van goedheid, dit is bij God, bij zijn en onze Vader. Jezus trekt niet de aandacht op zijn persoon. Hij is op God gericht. Hiermee richtte Jezus al impliciet de aandacht van de vraagsteller naar de Thora, die oproept om naar God te luisteren, God alleen te eren en te beminnen.

Uitdrukkelijk verwijst Jezus dan naar enkele van de tien woorden, de decaloog.

Je moet het niet te ver zoeken, zegt Jezus. Kijk naar de rijkdom van uw eigen traditie. Als goede Jood legt hij de nadruk op de geboden ten leven. “U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.”

Jezus is blij wanneer de man zegt dat hij dit alles vanaf zijn jeugd heeft onderhouden. Veel in onze wereld loopt verkeerd, omdat we deze levensgeboden naast ons neerleggen. Gelukkig, zijn er in de wereld veel mensen van verschillende gezindheden en religies die aan het ethos van de levensgeboden vasthouden. Allicht zijn er toch mensen die dit alles te burgerlijk vinden.

Plus est en vous

Jezus ondersteunt de man in wat deze reeds doet, maar hij nodigt uit tot meer. Jezus gaat een stap verder met deze man. Hij kijkt hem liefdevol aan en richt tot hem de volgende uitnodiging of uitdaging: “Eén ding ontbreekt u: ga naar huis, verkoop alles wat u hebt en geef het geld aan de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom dan terug en volg mij.” Jezus stelt hem voor drie opdrachten: alles verkopen, het geld aan de armen geven en Jezus navolgen.

Hier voelt de man zich overvraagd. Hij was rijk en had veel bezittingen. Hij zit er in gevangen en dit maakt hem zelfs treurig. Hij is bedroefd omwille van zijn rijkdom. Rijkdom dient niet om op te potten. Een ondernemer staat voor veel verantwoordelijkheden, voor de mensen aan wie hij werk verschaft en voor hen, bij wie hij werk aflevert en goederen en diensten bezorgt. We mogen hierbij niet roekeloos zijn. De eerste lezing van deze zondag gaat over wijsheid. Ze is een grote schat, meer waard dan geld. De wijsheid komt van pas om geschikt om te gaan met bezit.

Geen tweestandenethos

“In de geschiedenis van de kerk heeft het evangelie van de rijke jongeling een buitengewone uitwerking gehad: het heeft telkens weer mannen en vrouwen de kracht gegeven om hun burgerlijke bestaan achter zich te laten en een alternatief leven van navolging in een gemeenschap te beginnen. Het verhaal van veel kloosterstichtingen begint met deze tekst” (G. Lohfink, Jezus van Nazaret, p. 166).

Jezus houdt ons geen tweestandenethos voor. Neen, er is geen stand van de onvolmaakte en van de volmaakten. Zeker niet naar het model van de retraitepater, die het verhaal van de ontmoeting van de rijke man met Jezus gebruikte om roepingen te werven. “Zijt je edelmoedig, word priester. En zijt je zeer edelmoedig, word jezuïet.”

Jezus roept iedere gedoopte om hem te volgen. Dit houdt steeds een loslaten in, brengt offers mee en is een confrontatie met het kruis. Maar het steunt toch vooral op het vertrouwen dat Jezus ons het eerst bemint en dat de Vader ons nu en later zijn liefde schenkt.

Rijkdom kan beklemmen en kan ons beletten om nu al de vreugde te smaken van het rijk Gods. De kameel geraakt niet door die smalle poort. Al de pakken en lasten die hij draagt, moeten hem eerst afgenomen worden.

Petrus is geraakt door die man die niet ingaat op de uitnodiging van Jezus. Hij stelt de vraag: “Hebben wij er wel goed aan gedaan alles te verlaten?” Jezus wijst dan op de vreugde die zij nu hier kunnen beleven wanneer ze deel uitmaken van de familie van Jezus. Oudere zusters kunnen dankbaar terugblikken op wat ze hebben kunnen doen voor anderen, voor kinderen in een opvangtehuis, voor psychiatrische patiënten. Ze zijn niet een keer moeder geweest, maar honderden keren.

Ja, Jezus vraagt veel: loslaten, geven aan de armen en hem volgen op de weg naar Jeruzalem, binnentreden in de gemeenschap van de Vader, waar Jezus ons als broeders en zusters verwelkomt, niet alleen op zondag maar doorheen de week, niet alleen hier maar ook nadat ons leven hier op aarde eindigt. .

Gods mogelijkheden zijn eindeloos groter dan de menselijke mogelijkheden.