Franciscus (2009)

Waarvoor staat Franciscus? Wat is het toch aan hem dat ook nu in het Franciscaans Maandblad jonge mensen schrijven: "Ik ben diep geraakt door deze man; hij heeft mijn leven anders gemaakt"? Is het omdat hij als rijke koopmanszoon afzag van zijn bezit? Omdat hij arm wilde zijn zoals Jezus? Ik denk het niet. Alleen de armoede en de eenvoud doen het niet. Om mensen te raken is er meer nodig. Dat was al in Jezus' tijd zo. Denk maar eens aan de uitspraak van Paulus in de Korintiërsbrief. Paulus schrijft: "Al verkocht ik mijn bezittingen omdat ik voedsel aan de armen wilde geven - had ik de liefde niet, het zou mij niet baten". Als je je bezit weggeeft omdat je zo nodig een goed mens wilt zijn, dan doe je het vooral voor jezelf. Dat inspireert niet. Iemands keuze voor eenvoud en armoede spreekt wel aan als je ziet hoe hij of zij het leven liefheeft. Dat Franciscus na 800 jaar blijft fascineren heeft alles met die liefde te maken. Onze broeder Frans toont ons een weg; een weg om ons vermogen tot liefde groter te maken. Bij hem zijn op een heel eigen manier drie wegen met elkaar vervlochten: de weg om in je eigen kracht te komen staan, de weg naar God en de weg naar de ander. In deze overweging wil ik daar kort iets over zeggen. Veel meer daarover is te vinden in uitgaven van de Franciscaanse Beweging.

Franciscus wilde Jezus navolgen. Net als wij vandaag heeft hij in de kerk het evangelie gehoord. Over Jezus, die zegt "Laat de kinderen tot mij komen". Jezus omarmt ze, zegent ze en legt hun de handen op. Die omarming, dat gebaar van liefde: dat hoort ook helemaal bij Francesco Bernardone uit het 13e eeuwse Italië. De meest beroemde omarming van hem is de kus die hij gaf aan een melaatse, aan een mens waar anderen liefst met een grote boog omheenliepen. Deze kus was voor Franciscus een doorbraak in de tijd van zijn bekering. Hij schrijft dat wat hem eerst bitter leek juist heel zoet bleek te zijn. Hij ontmoette in de melaatse een broeder, een medemens. Die ontmoeting van mens tot mens vervulde hen beiden met vreugde. Hier voelden zij echte verbondenheid.

Wat is de heel eigen weg die Franciscus ging? Hij noemt het zelf: de weg van het boeteling zijn. Franciscus stichtte ook een lekenbeweging, de Derde Orde. De leden daarvan noemden zich penitenten, boetelingen. Boeteling, een oud woord, dat je weinig meer hoort en dat daarom om uitleg vraagt. Je zou denken dat het gaat om het uitboeten van zonden. Dat een boeteling diep gebukt gaat onder zijn zonden, ze oprecht opbiecht en als penitentie zichzelf beperkingen oplegt in bijvoorbeeld eten en drinken. Nou had Franciscus inderdaad masochistische trekjes. Hij vastte bijvoorbeeld heel veel. Zijn medebroeders hadden daar veel kritiek op, en terecht. Ze vonden dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Toch verstaan we Franciscus verkeerd als we hem als een zwaarmoedige boeteprediker zien. Wat bij hem opvalt is juist zijn blijmoedigheid, dat grote innerlijke vreugdevuur dat in hem en zijn naaste volgelingen brandt. Voor hem is boete doen: er steeds voor uit durven komen dat je beperkt bent en fouten maakt, dus een zondaar bent. Dat is één kant. De andere kant van boete doen is: God bedanken voor alle goeds dat Hij in jou en in anderen tot stand brengt. Als je iets goeds doet of iets goed kunt, dan is dat geen verdienste van jezelf. Je hebt het wel zelf gedaan, en daar mag je best heel voldaan en blij om zijn. Maar diep van binnen weet je, net als Paulus: zonder de liefde, zonder God ben ik niets. Alles heb ik aan God te danken: mijn leven, mijn talenten en mogelijkheden, de durf om hier en nu lief te hebben. Een boeteling is iemand die zegt: ik wil mezelf oefenen om niet steeds zelf in het middelpunt te staan. Ik open me in mijn gebed voor God, het eigenlijke midden, de kern van mijn leven. In Hem is een kracht en een liefde die veel en veel groter is dan wat ik van mezelf in huis heb. Zie hier het geheim van de Franciscaanse nederigheid. Ze zegt: wat ik uit mezelf voortbreng is vaak gepruts. Maar als God in mij werkzaam is, dus als ik ruimte maakt voor Hem en Zijn liefde voor mij, dan komen er grote dingen tot stand. Want God is groot, en ik ben echt zijn kind. Hij heeft mij lief. En daarom kan ik steeds weer dankjewel zeggen tegen God. Vreugde en dankbaarheid zijn de warme grondtonen van de Franciscaanse spiritualiteit. Ze is erop gericht de belemmeringen af te breken die tussen God en ons in staan.

Als de belangrijkste belemmering in het contact met God en met de mensen ziet Franciscus bezit. Hij zegt niet dat bezit slecht is. Maar hij ziet wel dat bezit mensen enorm in de weg kan zitten. Bijvoorbeeld als ze er hun identiteit aan gaan ontlenen. Als je uitstraalt: "Ik ben iemand omdat ik dat en dat heb en dat en dat kan". Als je jezelf zo ziet wordt je bang om je geld en je goed te verliezen. Want dan ben je niemand meer. Uit angst ga je jezelf en je bezit dan pantseren, je identiteit, je positie te vuur en te zwaard verdedigen. Desnoods ten koste van anderen. Het gaat Franciscus dus om wat hij ziet dat bezit met mensen kan doen. Dat ze de kunst verleren om lief te hebben. Dat ze het vermogen verliezen om uit God te leven, die liefde is.

De weg van eenvoud, armoede en nederigheid is een andere weg. Het is ook de weg van Christus. De schrijver van de Hebreeënbrief, van onze eerste lezing, zegt dat wij mensen en Jezus dezelfde oorsprong hebben. Dat is God. God, die liefde is. Hij is de oorsprong en het einddoel van alle dingen. Door God, door onze liefdevolle Vader, zijn alle stervelingen Zijn kinderen. In Hem worden wij broeders en zusters van elkaar. Voor mij en vele anderen in deze wereld is Franciscus een heilige die blijft fascineren. Hij houdt ons door zijn leven en zijn uitspraken een spiegel voor. Hij zegt: kijk met liefde, dus met welwillende maar ook kritische aandacht, naar jezelf. Vraag je steeds weer af: wat drijft mij feitelijk in het dagelijks leven? Is het angst? Waar ben ik dan bang voor? Is het verlangen? Maakt waar ik naar verlang mij dan werkelijk gelukkig? Durf ik te putten uit mijn diepste bron, uit mijn oorsprong? De oorsprong is voor Jezus en voor Franciscus niet iets ver weg. De oorsprong is de liefde van God, de band tussen Hem als Vader en ons als kinderen. Het is een bron waaruit we steeds weer kunnen putten. Moge die bron in ons steeds opnieuw gaan stromen. Amen.