27e zondag door het jaar B

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 233 niet laden

De kerkbijdrage brengt in onze parochie dit jaar denkelijk bijna honderdzeventigduizend gulden op. Dat lijkt heel wat, maar het is maar hoe je het bekijkt. Hilvarenbeek telt twaalfhonderd honden. Die kosten - heb ik me laten vertellen - gemiddeld een tientje per week. Dat is twaalfduizend gulden. En dat is in tweeenvijftig weken bijna zes en een halve ton per jaar. Ik denk wel eens: had de kerk maar een hondenleven.

Overigens zijn er in Nederland achttien miljoen gezelschapsdieren. Dat is meer dan er mensen zijn. De vraag is of dat er ook zoveel zouden zijn als al die dierenvrienden mensen hadden om van te houden. Waar menselijke nabijheid ontbreekt, kan een lief en trouw dier een mooie vervanging zijn. Want mensen hebben behoefte aan aanhankelijkheid.

Mens zijn kun je niet alléén, en dat is ook niet de bedoeling, zegt de Bijbel op de eerste bladzijden. De mens krijgt een paradijs: planten, dieren, bomen en bloemen, te kust en te keur en te mooi om op te noemen. Maar de mens blijft alleen, ontroostbaar, zegt de Schrift, en eenzaam. Dus sprak God: Het is niet goed dat de mens alleen blijft. En het wonder voltrekt zich: Hij, de schepper van alle leven en licht, de uitvinder van de liefde, wil dat alle mensen elkaar uit het hart gegrepen zijn (uit de rib genomen, vertelt het verhaal). Hij schenkt de mensen aan elkaar. Eindelijk, zegt die mens van toen. En sindsdien hebben miljoenen het hem nagezegd toen ze iemand vonden die hun uit het hart gegrepen was: Eindelijk, jij bent het einde! En omdat jij het einde bent, is er nu een nieuw begin. Nu begint het leven pas goed.

Zo heeft God ons dus bedoeld: als mensen die elkaar nabij zijn, elkanders hulp. Zo zijn we vanaf den beginne bedoeld. Maar helaas groeien mensen soms uit elkaar: geliefden, goede vrienden, ouders en kinderen. Dat kan duizend-en-één oorzaken hebben, scheiding tussen mensen, waarmee we als buitenstaander heel prudent en wijs moeten omgaan, en waarover we heel voorzichtig (of beter helemaal niet) moeten oordelen. Iets is zo gauw gezegd. Vaak hebben we zo makkelijk praten, en doen we daarmee een ander zo vlug zeer. Als mensen echt van elkaar vervreemden, kan dat zoveel ingewikkelde oorzaken hebben dat eerbiedig zwijgen het beste is.

In Jezus' tijd was de vrouw rechteloos. Een man kon zijn vrouw letterlijk afschrijven: een brief, en ze kon gaan. Dat is niet Gods intentie, die mensen schiep voor elkaars geluk. Een mens - legt Jezus uit - is geen wegwerpartikel. Maar als mensen dan toch zo uit elkaar zijn geraakt dat het geen leven meer is? Wat dan? Wat dan te doen als mens, als christen, als kerk? In ieder geval niet alleen maar met de beschuldigende vinger wijzen naar de een of de ander of naar allebei. Dan moeten we, denk ik, herder zijn, en geen rechter. Dan moeten wij trouw zijn aan mensen wie het, hoewel ze hun best deden, niet gelukt is. We moeten hen die alleen verder moeten, blijven respecteren en waarderen. Wie mensen te gemakkelijk van echtbreuk beschuldigt, breekt zelf echt met mensen, en is zelf ontrouw aan Gods bedoelingen. Hij heeft ons geschapen voor elkaar, want alleen is het geen leven.