Verstandige kinderen hebben geen leedvermaak

Beste vrienden,

Verstandige kinderen hebben geen leedvermaak!

Wanneer je zus een standje krijgt omdat ze werd betrapt, dan is leedvermaak niet op zijn plaats. Vooral wanneer ze niet de enige is die af en toe wel eens aan de snoepjes in de kast zit. Je kan je op een dergelijk moment beter beheersen. Wie weet wanneer word je zelf wel eens op de vingers getikt. Wanneer je zelf niet helemaal zeker bent dat je niet ook wel eens in een gelijkaardige situatie zou kunnen verzeilen, dan is het zeker verstandig om op een dergelijk moment je mond te houden. 

Het is immers bijzonder pijnlijk wanneer je, verontwaardigd over die misstap van een ander, het hoofd schudt, in de vaste overtuiging dat iets dergelijks jou nooit kan overkomen, om dan even later zelf bij een gelijkaardige misstap te worden betrapt.  

Het is inderdaad pijnlijk, maar het komt toch zeer veel voor. Dat mensen zich boven de anderen plaatsen, hen met de vinger wijzen, het hoofd schudden en hun onbegrip tentoon spreiden, en er dan even later zelf als natte poedels niet minder bedropen bijstaan, dat komt dikwijls voor, ook bij ons Christenen. 

Het Evangelie van vandaag toont dat ook zeer duidelijk aan.

De Christenheid had de zin van die Parabel die Jezus vertelde zeer vlug goed begrepen: Gods volk had schuld over zich gebracht, ze hadden de profeten vervolgd, de Messias niet erkend en Hem tenslotte zelfs ter dood gebracht. De wijngaard zal hen ontnomen worden en aan anderen worden verpacht bij wie hij wel vruchten zal dragen. 

Met grote fierheid en vreugde werd deze gelijkenis doorverteld. Ze werd opgeschreven in het bewustzijn dat dit woord van Jezus reeds op een zeer dramatische manier werkelijkheid geworden was. De Joden hadden het recht om het uitverkoren volk van God te zijn, verbeurd. De wijngaard werd aan anderen toevertrouwd, want de Christenen hadden zich het ware Godsvolk getoond.  

Eeuwenlang was dit een reden om op het Jodendom neer te kijken, de Joden met argwaan te bekijken en hen als melaatsen te behandelen – met al de verschrikkelijke gevolgen daarvan die we uit het, nog niet zo verre, verleden kennen. 

Hoe kon men vergeten dat de Bijbel niet kan gelezen worden als een geschiedenisboek? Hoe kon men over het hoofd zien dat wat hier werd neergeschreven geen verslagen uit een ver vervlogen tijd waren?    Hoe kon men vergeten dat de Bijbel aan ieder van zijn lezers telkens weer een spiegel voorhoudt en dat het over ons gaat, over ons en over onze huidige tijd!  Denken we nu echt dat Jezus tegen ons iets anders zou zeggen, dat Hij over ons anders zou oordelen?   

Werden en worden diegenen die in onze tijd de vinger in de wonde durven te leggen ook niet tot zwijgen gebracht? Zijn wij nu werkelijk diegenen die de verwachte vruchten zullen voortbrengen?  

Geloof is toch geen leerstelling die je net als een boek op een rek kan zetten en dat je dan voor eeuwig bezit. Geloof moet in je leven worden aangetoond en zich daar ontplooien.  

En wat God verwacht, dat zien we niet alleen in het wijngaardlied van Jesaja dat vandaag zij aan zij met het evangelie werd gelezen: Rechtspraak en gerechtigheid zijn vruchten die aan Gods verwachtingen voldoen. Een engagement voor gerechtigheid aan de zijde van diegenen die naar de rand van de maatschappij worden gedrukt, aan de zijde van de uitgeslotenen en de verslagenen, een engagement voor barmhartigheid en menselijkheid. 

Het verinnerlijken van de religie geeft ons ook geen oplossing. We kunnen ons geloof in nog zo mooie en liturgisch indrukwekkende vieringen belijden, maar als het geen verandering in de wereld teweegbrengt en geen invloed heeft op het dagelijkse leven, dan heeft het met de vruchten die God verwacht weinig of niets van doen.  We mogen ons niet uit de wereld terugtrekken, als we dat doen gaan we aan het evangelie voorbij! 

Hoe zegt Jesaja het ook weer:

β€œDe Heer verwachtte recht maar oogstte onrecht.

Hij zocht rechtsbetrachting, maar vond rechtsverkrachting.”  

Die woorden moeten ons in de oren blijven klinken. En ze moeten ons er ook toe brengen dat we nadenken en stil worden ten overstaan van het Evangelie van vandaag.

Wij hebben geen enkele reden tot leedvermaak bij het horen van het oordeel dat de Heer van de wijngaard vandaag uitspreekt. Ook geen enkele reden om arrogant neer te zien op diegenen die er toen door werden getroffen. Want het zelfde oordeel zou ook ons gemakkelijk kunnen treffen, want of wij als Kerk nu werkelijk die vruchten voortbrengen die de Heer van ons verwacht is toch maar de vraag.  Amen