26 B

26e zondag B 2015 Berken              Die verhalen uit de Bijbel staan op het eerste gezicht heel ver van ons. Zeker de verhalen uit het OT, verhalen die beginnen 4000j geleden. Een totaal andere tijd toen. Een oprecht gelovig man zei me eens: Patrick, de kerk zou daaruit niet meer moeten lezen, er staan weerzinwekkende verhalen in. En dat klopt, o.a. verhalen over wat slecht, zelfs echt slecht is. De bedoeling van die verhalen is ons een spiegel voorhouden: zijn wij, doen wij zoals  de mensen toen. Maar ook de verhalen over Jezus uit het NT willen hetzelfde : ons een spiegel voorhouden. Soms herkennen we voor onszelf weinig of niet in die spiegel. Die verhalen zijn geschreven 2000 tot zelfs 4000 jaar geleden en dat in een totaal andere cultuur dan de onze. Het was een totaal andere politieke, economische en vooral culturele context, een andere ‘wetenschap’ dan de onze.  En daarom met een totaal andere  ‘taal’, we zouden nu niet meer zeggen ‘God daalde neer in een wolk’ en sprak tot Mozes, maar misschien  ‘het was God die in Mozes’ diepste binnenste liet weten dat.....Het was een andere taal ,totaal ander begrippen, beeldtaal, een andere leefwijze, een ander denken, andere riten, symbolen en vormen van geloofsbeleving en communicatie dan de onze. Dat maakt het ons moeilijk. We moeten proberen die verhalen naar ons toe te ‘vertalen’, omzetten naar nu. En dan zien we dat die verhalen heel herkenbaar zijn, dat het over mensen gaat zoals wij, dat we er meestal onszelf, onze eigen leven, onze eigen situatie in herkennen, dat we er ons kunnen in spiegelen.                                                                                                                                                    Dat is ook zeker zo met de twee verhalen vandaag. Waar het eigenlijk over gaat is: nl.wie heeft alleenrecht? Wie zijn de gepriviligeerden, wie heeft authoriteit. Of wat eenvoudiger gezegd: wie zijn de ‘goeden’, wie heeft alle waarheid, wie heeft recht van spreken en  van handelen, wat anderen niet hebben?    Heel herkenbaar. Laat mij een voorbeeld geven uit ons eigen collectief verleden: een verleden: ‘waarin een ‘goede’ katholiek absoluut niet bevriend mocht zijn met een protestant. Een tijd waarin nonkel pastoor of tante zuster altijd gelijk hadden, ook als het niet zo was’.    Of een voorbeeld dichtbij: een houding van ‘dat zijn andersdendenden, andersgelovigen, vreemde mensen. Hoe kan het nu goed zijn wat zij geloven of wat zij doen .Hoe durven ze -zogezegd in Gods naam -spreken en handelen. Is dat niet iets wat ons is voorbehouden?’  Beste mensen, zit dat soms niet ook een beetje heel diep in ons verborgen?  Het heeft in ieder geval heel lang in de katholieke kerk geleefd. Vóór het tweede Vaticaans concilie (1962-65) stond in de Constitutie van de Kerk: dat er buiten de Kerk (katholiek kerk) geen heil was, geen redding dus.  De twee lezingen van vandaag houden ons hele concreet herkenbare spiegel voor: zien we in die spiegel niet een opsplitsing van mensen in hokjes, met een houding van: dié of wij    zijn de goeden, dié of wij   hebben het bij het rechte eind, alleen bij dié of bij onze groep   kan het goede geschieden. De anderen hebben het niet, ze hebben ons niets te zeggen, niets te bieden.  Dat is wat in de eerste lezing gebeurt: Mozes en 68 van de 70 oudsten zijn in de tent waar de ark met de 10 geboden staan een heilige eredienst aan het doen en die ark staat op een heilige afstand verwijderd van het kamp waar het volk leeft, omdat het er in het kamp niet altijd geleefd wordt volgens die 10 geboden. Twee van de oudsten, die eigenlijk in de heilige tent met de ark voor de religieuze plechtigheid verwacht worden, zijn er niet, maar zijn bij de gewone mensen in het kamp gebleven om te profeteren, om over Jahweh tot de mensen te spreken. Ze doen niet mee met de andere oudsten, doen niet mee met  de ‘geplogenheden’ en daarop komt kritiek, hen  zou  zelfs het zwijgen moeten opleggen worden zeggen sommigen streng. En in het evangelie (1700 jaar later!!!) hebben we net hetzelfde: de apostel Johannes komt Jezus zeggen: Heer we hebben iemand gezien die U, die ons, niet volgt en in Uw naam duivels uitdrijft, (denk aan die ‘taal’ van toen waarover ik het had; nu zouden we zeggen iemand die het  het kwade in mensen probeert te beheersen of te doen stoppen, dat kwaad kan een ziekte zijn, of kwade bedoelingen of handelingen ) en we hebben het hem gelukkig belet omdat hij niet van ons is. Zowel Mozes als Jezus zegt hen heel duidelijk: laat dat, ook al behoren ze niet bij ons of lopen ze niet in helemaal ons gareel, laat het goede gebeuren x2. Beste mensen  er zijn zoveel mensen die zich helemaal anders gedragen als wij, er zijn zoveel andersgelovigen, of zoveel niet-gelovigen die goed doen. Onze kerken lopen jammer genoeg leeg, maar anderzijds zien we in de wereld ook zoveel mensen die goed doen, denken we alleen nog maar aan de vele,vele mensen, georganiseerd of privé in gans West-Europa die zoveel doen voor die stroom van vluchtelingen. Zou God dat niet toejuichen in plaats van die mensen te veroordelen. Waar God van droomt is dat zijn Koninkrijk, dat leven ten volle voor alle mensen, er mag komen, dat is de kern van Jezus boodschap én manier van  leven. Ook onze kerk als instituut heeft dat begrepen. Geen veroordelingen meer, niet meer die houding van ‘buiten de kerk is geen heil’. In de dogmatische Constitutie van de Kerk van Vaticanum II lezen we ( hfstk 2 §16, p. 66,[ deel aan het heil hebben] ‘op de eerste plaats de Islamieten’ [die ook Abraham erkennen en de Schepper als enige , barmhartige God]) . En die open houding  van Vaticanum II naar anderen toe gaat nog verder, ook naar  niet-gelovigen toe en naar de ganse  seculiere wereld, een houding van samenwerken met alle mensen van goede wil, van welke religie ook, een samenwerken van de kerk met  alle disciplines –godsdienstige  en wetenschappelijke (wetenschappelijke waarvoor de kerk tot aan het IIe Vatic Concil zo bang is geweest)- allen samen om alle mensen in deze wereld een goed leven te bieden.      Ook buiten ‘de Kerk’ , buiten ‘instituten ‘, buiten krachten die het alleenrecht  opeisen, waait en werkt Gods Geest.  Daarvan zijn alle decreten van het IIe Vat Concilie doordrengd.   Dàt is consequent met wat   Mozes en Jezus ons vandaag zeggen: wie niet tegen ons is, is voor ons en juich het goede dat ‘anderen’ doen toe.