Vierentwintigste zondag door het jaar (2009)

Inleiding

'Da pacem, Domine.' 'Geef vrede, Heer. Verhoor de gebeden van uw dienaar en van uw volk Israël.' We kunnen het niet alleen af, en moeten hulp zoeken bij een Ander, bij Iemand buiten deze wereld. Die afhankelijkheid is moeilijk om aan te nemen. U weet hoe moeilijk het is om je te laten helpen als je oud wordt en afhankelijk, dat grijpt je aan tot in het diepst van je bestaan. We zijn helemaal afhankelijk van God. Dat begon al meteen toen wij in het bestaan kwamen. We werden meteen naar God, naar de Kerk gebracht om ons door Hem te laten aannemen als zijn kind, zodat Hij de verantwoordelijkheid voor ons gaat dragen. Daarom kunnen wij ook altijd een beroep doen op zijn hulp, op zijn redding in de nood.
Dat wij ons dat bewust zijn, dat is wat wij aan het begin van de zondagse eucharistie in een plechtigheid willen vieren, tot uitdrukking willen brengen, en dat wij dat bewustzijn van afhankelijkheid en dankbaarheid dat Hij onze God wil zijn, ook weer laten groeien.

Homilie

"Geen geloof zonder daden", zegt Marcus vandaag in de tweede lezing. "Geloof zonder daden is een dood geloof." Jezus echter zegt: Geen geloof zonder lijden. Zonder lijden aan elkaar, voor elkaar en met elkaar, geen geloof. Petrus had medelijden met Jezus, dat Hij zo verschrikkelijk zou moeten lijden. Maar had hij ook niet een beetje medelijden met zichzelf? Mee-lijden met zichzelf! Want als zijn meester zou moeten lijden, dan zou hij als leerling daar natuurlijk niet onderuit kunnen. Het lijdensvooruitzicht van Jezus is ook een lijdensvooruitzicht voor Petrus én voor alle mensen. Jezus zegt het ons met evenzo veel woorden: "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen." En lijdt Petrus op dit ogenblik al niet aan Jezus? Want 'zien lijden doet lijden', als je een ander ziet lijden, of zoals in dit geval, als je ziet hoe een ander zijn leven stelt in het perspectief van het lijden, van een groot allesomvattend lijden. Jezus' lijden wordt existentieel, als een heel het bestaan, heel de existentie omvattend gebeuren, dat Jezus niet alleen hééft te lijden, maar dat Hij één en al lijden ís, zozeer zelfs, dat er tenslotte een Ander aan te pas moet komen om Hem te redden: zijn hemelse Vader. Een Redder die zichzelf niet kan redden. Wie zou daar geen moeite mee hebben? Petrus heeft daar moeite mee, de Emmaüsleerlingen zouden er moeite mee hebben: "Wij leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!" (Lc 24,21). Jezus zegt, dat datgene waar je van wilt worden verlost, nu juist de verlossing brengt. Als je van het lijden wilt worden verlost, dan raakt je juist datgene kwijt waardoor je wordt verlost.

Laten we eens beginnen met het lijden waar alle mensen mee te maken hebben, ook als ze door en door gezond zijn en succes hebben in het leven. Het lijden waar alle mensen mee te maken hebben, is het lijden aan elkaar, het lijden aan de ander, dat de ander anders is, dat de ander is zoals hij is en dat je zelf bent wie je bent. Daar hoeft niet iets van zonde bij te komen, iets van ongeordendheden of bepaalde hartstochten, neigingen die iemand niet in de hand kan houden, nee, alleen al dat de ander is zoals hij is, dát doet lijden. Mensen hebben moeite om de ander in zijn waarde te laten, het geheim van de ander te respecteren, de ander te laten zijn die hij is. Mensen hebben er ook moeite mee om zichzelf aan te nemen met alles erop en eraan. En is juist dat nu niet de bron van alle conflicten in het leven en in het samenleven?

Als voorbeeld nemen we een man en een vrouw. Echte liefde maakte van hen een echtpaar, een hecht paar mensen. Maar allebei zijn het mensen met hun gebreken, met hun grenzen; allebei moeten ze veel van elkaar verdragen, hetgeen hen eerder dichter bij elkaar brengt dan van elkaar afhoudt. Totdat er bij de man zich een probleem openbaart, een drankprobleem, niet iets van elke dag, maar van een keer in de zoveel dagen. De vrouw is vol goede hoop dat het op een dag zal worden overwonnen. Eigenlijk is ze met hem getrouwd minus zijn drankprobleem. Ook de man zelf aanvaardt niet echt dat hij op dit punt een zwakheid heeft. Met het gevolg dat hij het steeds wegstopt, het verdringt, en er daardoor ook niets aan doet, dat hij er geen verantwoordelijkheid voor draagt. De vrouw doet wel van alles, zij wendt alle middelen aan, maar niets baat. Ze zet hem onder druk, het baat niet, ze dreigt bij hem weg te gaan, ook dat helpt niet, integendeel, dat versterkt alleen maar het gevoel dat hij wordt aanvaard minus zijn drankprobleem. Hij wordt niet echt aanvaard, helemaal, inclusief drankprobleem. Respect voor zichzelf heeft hij ook niet echt. En zijn vrouw respecteert hem tot op zekere hoogte, dus niet helemaal, niet onvoorwaardelijk. Zo gaat dat jaren door, totdat zij het besluit neemt om hem aan te nemen met heel zijn drankprobleem erbij. Ze gaat zelfs zo ver, dat zij zich voorhoudt hem aan te nemen ook al wordt het nooit beter, ja, al wordt het nóg erger. Ze stelt haar liefde open voor hem met haar veranderde instelling ten opzichte van hem, en vanaf dat moment houdt hij op met drinken. Hij wist zich bemind, hij wist zich aangenomen om hemzelf, om wie hij was, met probleem en al. Dat was ook het moment dat hij de verantwoordelijkheid voor zichzelf op zich nam. Hij wist zich aanvaard in de diepte van zijn wezen, dat geheim, dat peilloze geheim tot in de diepte van God. Hij wist zich aanvaard door God.

Dat is nu precies wat Jezus bedoelt: "Wie zijn leven wil redden zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest omwille van Mij zal het redden." Als je jezelf aanneemt, als de ander jou aanneemt, dan kom je bij de schat in het hart van de ander, dan kom je bij die schat in de hemel, zoals Jezus dat ergens anders noemt (vgl. Mt 19,21; Mc 10,21; Lc 18,22). En die schat in de hemel is God. Dat is zijn liefde, de liefde waarmee Hij onze zonden draagt. Hoe moeilijk is het om altijd bij jezelf te zijn. Dat wordt in de biografie over Benedictus door Gregorius de Grote genoemd: 'Hoe moeilijk is het om bij jezelf te wonen.' Hij had geleerd bij zichzelf te wonen en niet bij de ander, en dat is een vreugde, een zalige vreugde, een goddelijke zaligheid. Dat trekt mensen er naar toe om zoiets als een religieus leven te leiden. Zij voelen dat ze hun leven lang verzekerd zijn van een hemelse schat: Gods liefde voor ieder van ons persoonlijk en Gods liefde voor de ander.

Zo heeft Jezus met de mensen gedaan. Hij is Mens geworden, Mens met de mensen. Hij is met de mensheid getrouwd, Hij heeft de mensheid aangenomen, ieder van ons persoonlijk, met al onze kwalen en kwetsuren, met al onze afwijkingen en misdaden, ja, zelfs met de grootste kwaadaardigheid ooit: de moord op de Zoon van God. God doodzwijgen, God voor dood verklaren, ons schamen voor Hem, Hem als een vloek uit de samenleving bannen, dat alles heeft Hij laten gebeuren. Hij werd overgeleverd en Hij heeft Zichzelf overgeleverd. Dat betekent dat wij ons van toen af aanvaard mogen weten met al ons kwaad, tot en met het allergrootste kwaad. Dat Hij het allergrootste kwaad van ons heeft ondergaan en met een goed en mild en lankmoedig Hart heeft gedragen, dat geeft ons de zekerheid dat wij met al ons kwaad door Hem worden aanvaard.

Dat is wat wij in iedere eucharistie vieren. Het is een aanslag, een beschuldiging: wat zijn wij voor mensen? Maar daarbij blijft het niet. Wij zijn mensen van God, wij zijn kinderen van God, door Hem aanvaard tegen een dure prijs, de prijs van zijn leven. Zo zijn wij kinderen van God geworden. Dat hebben wij aan het begin van de eucharistie gevierd en dat mogen we nu in het Credo belijden.