Luisteren en verkondigen (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden

- In het beluisterde evangelie (Mc 7, 31-37) zien we hoe Jezus, ten gevolgde van het onbegrip bij zijn volk na het broodwonder, en na zijn confrontatie met de Farizeeën, zich terugtrekt in het noorden van Palestina. Hij trekt vanuit Tyrus over Sidon (het huidige Saida, in Libanon) in een boog over Gaulanitis (de Golanhoogte), ten oosten van het Meer van Gennezareth naar Decapolis: al heidense randgebieden. Dat is een reis van bij de honderd kilometer.

- Daar brengt men bij Hem een heiden (niet-Jood) die doofstom is, of die ten minste doof is en moeilijk spreekt, een stotteraar. Horen en spreken gaan samen. Een kind leert spreken door te horen. Zulke mensen lijden meer aan vereenzaming dan blinden of lammen. Ze zijn compleet van de buitenwereld afgesloten. Ze zien mensen lachen en ze weten niet waarom. * In het evangelie staat deze heiden symbool voor de mens die gesloten is voor Gods stem. De mens die verstikt in zichzelf. Gods stem dringt niet door omdat zijn hart verstopt is. De heiden heeft evenals de Jood nood aan de goede boodschap. Jezus die het Woord van God is stelt een teken van bevrijding. Hij neemt die gehandicapte apart. Sensatie is niet nodig. En Hij gebruikt een oud Joods ritueel door de man met speeksel aan te raken. Maar Hij doet dit tegen in de Joodse voorschriften in. Wie een heiden aanraakt wordt ritueel onrein. Jezus richt zijn blikken naar boven. Het is immers niet een zaak van magie, maar een daad die de Vader stelt in Hem. Hij brengt die man in communicatie met God en met de mensen. Zo wordt de profetie van Jesaja vervuld: "De oren van de doven zullen geopend worden... en jubelen zal de tong van de stomme." (Jes. 35,5-7 : eerste lezing)

1. In de bijbel is het horen, het luisteren, van allereerst rangorde. Onze Godsdienst is een Godsdienst van het Woord. Het geloof komt van elders. Het komt uit het horen, het beluisteren van wat God zegt. Het geloof is niet een ideologie, niet een filosofie, die we zelf bedenken.

- Dat was het shema-gebed, de belangrijke tekst die de Joden elke dag moesten opzeggen. Zij moesten die tekst steeds aanraken bij het binnen- en buitenkomen: "Luister Israël, de Heer is uw God..." (Deut. 6,4). Een echo horen we ervan in ps. 95, 7-8: "Luister heden naar zijn stem. Verhard niet uw hart." De regel van Benedictus begint gelijkaardig: "Leer uw oor te luisteren leggen..."

- Uit "horen" volgt ook "gehoor-zamen". Alle groten in Israël waren luisterende mensen. Ze luisterden vooral met hun hart. Zo was de houding van Abraham: "Hier ben ik." (Gen. 12,1-13,18; 22,1)). Een echo horen we in Hebr. 11,8: "Door het geloof heeft Abraham, zodra hij geroepen werd, gehoorzaamd, en ging op weg naar een land... zonder te weten waar hij komen zou." - Zo ook Samuël zei in de nacht, toen hij herhaaldelijk zijn naam had horen roepen, op raadgeving van de oude Eli : "Spreek, Heer, uw dienaar luistert." (1 Sam. 3,1). Even indrukwekkend was de vraag van de nog jonge koning Salomo, toen hij trok naar Gabaon om een offer op te dragen: "Heer, geef mij een hart dat luistert." (1 Kon. 3,9) En Gods zei hem: "Omdat ge geen rijkdom noch een lang leven hebt gevraagd, zal Ik u een wijs en verstandig hart geven": Het gevolg van het luisteren.

- Dit gehoorzamen vinden we op uitstekende wijze bij Maria, de eerste in geloof. Zij was totale ontvankelijkheid voor Gods Woord. In niemand is Gods Woord meer mens geworden dan in haar. Ze zei in overgave: "Mij geschiede naar uw Woord". Alle heiligen waren gehoorzame mensen. Dat was het criterium van hun heiligheid. Dat vergt ootmoed en ontvankelijkheid. Maar bij Maria ging aan haar "ja" niet een "neen" vooraf. Bij ons komt ons "ja" als we eerst lang "nee" hebben gezegd.

- Ook tot ons zegt de Heer: "Zie, Ik sta aan de deur en klop; als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnen komen en maaltijd met hem houden, en hij met Mij." (Apoc. 3,20) Er is een doofheid in ons waarvan wij moeten worden bevrijd. Waar wij gemakkelijk roepen: "Heer, aanhoor mij", zegt de Heer: "Luister naar Mij." Vandaag in München klaagt onze paus Benedictus XVI over die innerlijke doofheid van de Westerse mens, door de secularisatie veroorzaakt.

2. Maar we moeten ook nog leren spreken. Niet onze goedkope mening verkondigen; maar datgene wat we biddend en luisterend van God hebben gehoord. God spreekt tot ons door Jezus, door de Kerk, door Maria, het beeld en de Moeder van de Kerk. Daarvan leven en dat uitdragen.

Maar het is alsof wij niet durven. We zijn bang om ons geloof te belijden. De anthropoloog Valeer Neckebrouck noemt dit syndroom: "De stomme duivels (in ons)". We zullen verantwoording moeten afleggen van deze stomheid uit vrees of onverschilligheid. Paulus sprak reeds over de bekoring zich om het evangelie te schamen (Rom. 1,16; 2 Tim. 1,8). Maar hij voegde eraan toe: "Wee mij als ik het evangelie niet verkondig." (1 Kor. 9,16). Ooit zei Petrus: "Wij kunnen niet niet spreken". In de oerkerk kon men niet zwijgen. De grote Engelse historicus Michael Burleigh moedigt de Kerk aan onvervalst haar boodschap te blijven verkondigen, tot redding van onze samenleving. In de voorbije bedevaarten hebben we geluisterd, veel meegekregen. Nu moeten wij ook nog spreken. Wat we ontvangen hebben met anderen delen. Dat is uw zending. Maria geeft u in deze bedevaarten deze genade. Nu is het aan u en ons die genade waar te maken. Amen.