Mozes draagt zijn kennis over (2003)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden
De oude Mozes vertelt, heet het boek Deuteronomium lang. Hij vertelt over zijn lange leven als leider van Gods volk: de slavernij in Egypte, de bevrijding uit dat diensthuis, de lange woestijntocht. Op zijn oude dag ziet hij terug. Hij weet dat hijzelf het beloofde land niet zal betreden. Hij zal de oogst waarvoor hij heeft gediend niet met eigen ogen zien. Hij ziet naar het land in de verte. En wat doet een mens die oud geworden is en weet dat hij hier niet lang meer zal zijn? Hij poogt het beste wat hij met zich meedraagt, wat hij heeft leren inzien, begrijpen en aanvoelen, óver te dragen op de mensen die na hem komen: zijn kinderen en kleinkinderen, zijn volksgenoten en vrienden.

Tussen haakjes: veel te vaak hoor ik ouderen zeggen: ik houd mijn mond maar tegen de jongeren. Ik zeg maar niets over mijn eigen overtuiging en opvatting, dat geeft misschien maar spanningen. Over álles mag gepraat of gebabbeld worden, behalve over datgene wat je echt aan het hart gaat. We leven in een tijd van veelgeprezen openheid, maar dáárover praten lijkt voor sommigen wel taboe. Wat vreselijk jammer, want elke generatie moet praten over de grote vragen van liefhebben, succes en mislukking, opvoeden, geloven en vertrouwen.

Mozes doet zijn mond wél open, een heel boek, vierendertig hoofdstukken lang. Hij herinnert het volk aan de stem uit het vuur. Nee, er was niets te zien daar aan de voet van de berg in de woestijn. Er klonk alleen een stem. Een stem die geboden bracht, tien geboden. Een stem die een verbond openbaarde, dat wil zeggen: een vriendschap. Waar leeft het volk voor? voor die vriendschap. Dit door God geroepen volk is eerst in de woestijn ontwend aan de harde economie van Egypte, waar je weinige meesters, weinige rijken had en vele armen, vele dienaars, die alleen maar beschouwd werden als arbeidskrachten en weer op straat gegooid konden worden als zij onbruikbaar waren geworden.

Na de verlossing van dat harde bestaan is het in de woestijn geleid. Daar heeft het geleerd zich niet toe te vertrouwen aan de sterrenbeelden aan de hemel noch aan de machten van deze aarde. Het enige dat rest is die stem uit het vuur. Die stem, die buiten de woestijn, in de stad, in het land nauwelijks hoorbaar is, die voortaan alleen maar te horen is in je hart, je geweten en in het verhaal dat ons is overgeleverd. Ja, ons geloof is niet meer en niet minder dan een stem. Joden en christenen hebben geen beelden, geen verschijningen (ja, onze katholieke traditie wél, maar onze beelden en de verschijningen die sommigen menen gezien te hebben, horen niet tot het hart van ons geloof). De bijbel zegt niet: "Zie, Israël"", maar "Hoor, luister, Israël".

Het bekroop me deze week, toen we kennismaakten met de vormelingen uit de Lucas en de Paulusparochie: ruim twintig jongeren, een mooie oogst. Je staat te praten over het geloof, de betekenis van het vormsel. En je realiseert je: wat een wonder dat deze jongeren met hun ouders hier zitten.Er zijn duizend andere stemmen die trekken en nog veel meer beelden, idols en succesverhalen. En toch, in dit tijdsgewricht, in deze buurten waar eindeloos veel verhalen de ronde doen, zitten wij hier bij elkaar en proberen die stem uit het vuur van het begin weer te beluisteren. Het maakte me blij en bevreesd tegelijk. Hoe broos is deze stem in ons midden en hoe kwetsbaar is dit luisteren. Maar ook: hoe hoopgevend is het dat wij hier zijn en dat er ook jongeren zijn die luisteren en dat zij aanschuiven bij de ouderen die trouw gebleven zijn, de jaren van vreugde en beproeving door. Een beslissend luisteren, een beslissend aanschuiven, dat van ons, ouderen, eerlijkheid, openheid, overtuiging vraagt.

Het evangelie van Marcus bereikt een beslissend moment in de tekst die wij hoorden. Het geloof van de leerlingen is kwestbaar, broos gebleken. Nu stelt Jesus de vraag aan de leerlingen: "Wie zeggen de mensen dat Ik ben?"
Petrus spreekt het hoge woord: "U bent de Messias". Ondanks al het gebrek aan inzicht bij de leerlingen op hun tocht door Galilea is Petrus toch maar zover gekomen. Niet Johannes de Doper, niet Elia of één van de profeten bent U, maar: de Messias, de Gezalfde van God, de Christus.

Dat was een mooie, maar hachelijke belijdenis van Petrus. Want er waren er al zovelen geweest die beweerden of van wie werd gezegd dat zij de messias waren. Meestal was hun loopbaan in bloed gesmoord, politiek geweld en machtsspel.
Wellicht daarom dat Jesus direct alle grootheidswaan, alle machtsfantasieën van zijn apostelen de grond in boort: "De Mensenzoon moet veel lijden, Hij moet verworpen worden, ter dood gebracht en na drie dagen opstaan".
Die laatste woorden heeft Petrus niet eens gehoord. Hij wil niets weten van die weg die de Messias, Jesus, moet gaan. Petrus leest zijn Messias, zijn Heer de les.
"Maar Jesus keerde zich naar zijn leerlingen, keek hen aan en berispte Petrus".
Hoor dan hóe Jesus zijn eerste leerling kapittelt: "Weg daar, achter Mij, satan, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen".

Achter Hem gaan. Wij mogen geen beelden aanbidden die wij van de Messias hebben gemaakt. Wij moeten bij deze Joodse man, Jesus van Nazareth, blijven. En zien waarheen zijn weg leidt. Hij spreekt niet met machtige stem. Nee, je moet stil worden om die stem te kunnen horen. Je moet - oud en jong - bij elkaar gaan zitten om Hem te verstaan in jouw leven; om te verstaan dat Hij bij jou is op jouw eigen weg van lijden, verworpen worden, jouw weg van alles-moeten-loslaten en weer opstaan. "met mij is de Heer, die u, die mij draagt".

Gij, broze, kwetsbare stem uit het vuur,
Gij, Woord, dat antwoord vraagt - o Heer,
geef, dat wij U herkennen mogen". Amen.