Effeta (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 198 niet laden

IN HET ZIEKENHUIS


Ik heb ‘s avonds, rijdend  over de Keulseweg, vaak vol medelijden naar het ziekenhuis gekeken. Ik realiseerde me dat in die hoge toren honderden lagen, versuft, met pijn, piekerend, te moe om te slapen, zwaar ademend en met moeite etend. In het voorbijrijden, of tijdens ziekenbezoek, dacht ik altijd: zorg dat je hier niet komt te liggen!
Op 9 augustus lag ik er. En ik was blij dat ik er lag. Blij met alle lieve zorgen van vriendelijke verplegenden. Het was zo anders om er patiënt te zijn.
De sterkste kant van ons ziekenhuis is het uitzicht. Je hoort het nieuwe patiënten en bezoekers telkens weer verzuchten. Van alle kanten heb je een overweldigende blik op het Limburgse heuvelland, het kasteeltje Imstenrade, de huisjes van Benzenrade, de Pancratiuskerk. Als je het weet: de toren van Kunrade!
Het uitzicht is adembenemend, maar daar hebben ze het volgende op gevonden. Als het ‘s middags té mooi wordt, dan gaan over de volle breedte van het gebouw automatisch alle rolluiken dicht. De aandacht wordt weer naar binnen gericht. Hier lig je. Ziek. Te genezen, of niet. Weggerukt uit je werk, niets meer te doen.

VEILIGE RUIMTE

Een buitenlands woordje springt uit de evangelietekst. ‘Effeta’, ‘Open U!’ Dat klinkt als: ‘Morgen kunt u naar huis!’ - ‘Effeta!’: ‘We hebben het weefsel onderzocht en alles is in orde.’ - ‘Effeta!’ belooft dat het graf open is. Dat het verhaal met de slechte afloop opnieuw is geschreven. - ‘Effeta!’ zegt dat Jezus’ woord ook bestemd is voor de heidenen, de Dekapolis, de wereld buiten Jeruzalem. - ‘Effeta’ is het verlossende woord. Een opening. Een uitweg.
Het heeft zijn reden dat Marcus dit ene woordje zo opvallend in het Aramees laat staan. Aramees was Jezus’ spreektaal. Marcus schrijft zelf zijn evangelie in het Grieks. Hij legt het woord voor zijn lezers uit. ‘Effeta’ is ‘Opent U zich...’ Ik las ergens dat het in de joodse eredienst voorkwam. Het werd gezegd voordat de schriftlezing begon. ‘Open uw hart. Hier komt een woord van God.’ Effeta nodigt mensen uit om zich te openen. Het biedt een veilige ruimte aan waarin je mag zijn wie je bent. Dat doet wonderen.

STIL VALLEN

‘Effeta’ staat tegenover alle druk om niet jezelf te zijn. De haast van mensen en de last die ze meedragen. Bezoek aan bed: ‘Hoe gaat het met u?’ ‘O het gaat al een stuk beter. Ze onderzoeken nog even het hart...’ Mijn bezoeker valt me in de rede. Het hart ja. Daar wist ie alles van En hij begon in geuren en kleuren alle onderzoeken te vertellen die hij in het verleden had doorstaan. Ik werd er stil van. Mijn verhaal was nergens meer. Ik werd gesloten.
Of de druk van onze maatschappij. Je moet presteren. Op school al. De zes-min moet een zes-plus worden. Je moet beter je best doen. Je bent lui. Je moet proberen je buurman te overtreffen. Alles is erop gericht om met jezelf geen vrede te nemen.
Zo zijn er mensen stil gevallen. Mensen die zich schamen over hun kinderen en over de wegen die ze gaan. Die er niet over vertellen maar vage gebaren maken. Mensen die hun eigen gevoelens verbergen. Te vaak geplaagd en uitgelachen. Teveel bijtende commentaren.

'KOM MAAR!'

‘Effeta’ is de uitnodiging om je te openen. Je mag er zijn van God. Het leven is geen wedstrijd met honderd verliezers en één winnaar. Het leven is een feest voor iedereen.
Jezus geeft vandaag geen bevel aan een boze geest, maar hij nodigt de stomme uit om naar buiten te treden. Jezus doet wat hij deed bij de zondaar, de melaatse, de tollenaar. En wat hij ons op het hart wil drukken. ‘In Godsnaam: je mag er zijn.’

WOEF

Lieve kinderen.
Max kwam thuis. Zijn rugzak droeg hij met beide armen voor zich uit alsof er iets breekbaars in zat. Hij had namelijk een hondje gevonden. Het had tussen de struiken gezeten in de Beatrixstraat. Het was hem achterna gelopen. Met grote ogen had ie Max aangekeken. Max had hem opgepakt en in zijn rugzak gedaan. De hele weg naar huis had hij bedacht wat hij mamma moest zeggen. ‘Mamma, stel je eens voor dat ik ergens anders was geboren en dat die andere moeder mij hier in de voortuin had gezet. Had je me dan laten staan of had je me naar binnen genomen?’ Hij kende mamma. ‘Ach knul’ -Knul zou ze zeggen- ‘natuurlijk had ik je meegenomen!’‘Nou mamma’, zou hij dan slim zeggen, ‘ik lijk op jou!’ En dan zou hij... eh..., ‘t hondje had nog geen naam. Woef? Dan zou hij Woef laten zien. Met kloppend hart duwde Max met zijn elleboog de achterdeur open, voorzichtig dat Woef niet zou blaffen. ‘Mamma...!’ Pappa stond bij de aanrecht. Hij had zijn schoenen uitgedaan. Er lag een oude krant.
‘Krengen zijn het! Overal poep op de stoep. Zelfs voor mijn eigen huis. Dat moet die keuter van op de hoek zijn. Waarom laten ze de beesten niet in het bos! Daar horen ze thuis’
‘Ha, Max, riep je me?’ Mamma kwam naar de deur en wilde de rugzak overnemen. Max trok zich gauw terug.
‘Nou niks bijzonders.’ En hij liep de trap op naar zijn kamer.
‘Max, wat ben je toch stil? Scheelt er iets?’
‘Hoezo?’ Max griste gauw een schijfje worst in zijn broekzak voor Woef. Hoe moest ie dit gaan vertellen? Morgen misschien.
Maar daar kreeg Max de kans niet voor. Woef was hem voor. Die nacht deed hij een grote plas op de overloop en vertelde luid blaffend aan iedereen dat hij er was. Woef had van het gemopper van pappa helemaal niets verstaan. Maar goed ook!