Een kerk voor armen (2006)

Tijdens de voorbereiding van deze viering vond ik op het net een interpretatie van deze tekst, waarvan ik niet kon natrekken of die juist is, maar die er toch wel een ander licht werpt. Volgens die bron zou "het oog van een naald" de benaming zijn van een kleine deur bij de stadspoorten van Jeruzalem. Als nu bij valavond de grote wijde stadspoorten gesloten werden, kon men allen nog maar binnen via die kleine deur. Wie er dan met de kameel nog naar binnen wilde, moest sowieso de kameel geheel afladen. Misschien kón de kameel nog naar binnen maar zónder iets mee te nemen.

Met dat beeld ligt de nadruk niet zozeer op de onmogelijkheid voor de rijke man om het rijk der hemelen te bereiken, maar op de voorwaarden die moeten worden voldaan om het te bereiken, namelijk het herstellen van rechtvaardige sociale verhoudingen, voor de rijke man in concreto: het afleggen van zijn rijkdommen, zijn maatschappelijke verworvenheden en aansluiten bij de groep van kleine mensen.

Deze tekst is vooral revolutionair omdat hij oproept om het bestaande religieus maatschappelijk bestel om te keren. Het is namelijk zo dat de in de joodse religieuze traditie rijkdom aanzien wordt als een geschenk van God. Vandaar dat er in verhaal de rijkdom van de jonge man wordt gekoppeld aan zijn levenstijl: dat alles heb ik van mijn jeugd onderhouden. Wie rijk is behoort in het oude denken in feite al tot rijk der hemelen. De evangelische boodschap richt zich echter resoluut tot de armen, degenen die verstoten worden uit de tempel.

En natuurlijk is het “nu” heel gemakkelijk om deze teksten naast zich neer te leggen met de opmerking dat maatschappij veel meer oog gekregen heeft voor de zwakken en gelukkig is dat ook zo. Maar juist omdat wij leven in een samenleving met zo een fijnmazig sociaal vangnet is het des te meer noodzakelijk dat we oog hebben voor hen die uit de maatschappelijke boot vallen en zeker voor hen die systematisch en structureel in de verdrukking komen.

Want samenlevingen hebben de neiging om hun armen te verbergen of sterker nog armoede te bestraffen. (Als er in het verleden teveel armen op de trappen van de kerk zaten om een aalmoes te krijgen van de begoede kerkgangers, dan verbood men hen gewoon om nog te bedelen). Toen ik vanuit mijn werksituatie aan een inleefdag deelnam van de “verenigingen waar armen het woord nemen” en dus oog in oog kwam te met mensen in armoede, werd ik innerlijk helemaal overhoop gegooid. Armoede riep bij mij – tot dan toe - een beeld op van een schraal wegkwijnend vrouwtje met hongerige kindjes in een smerige krot wachtend op het Leger des Heils. Door die inleefdag werd ik geconfronteerd met een complexiteit van maatschappelijke mechanismen waardoor mensen verhinderd worden om sociaal te functioneren. En die fenomenen zijn niet enkel economische. Deze week zag ik terug de vrouw die dagelijks in het Noordstation staat te bedelen, ze was bont en blauw geslagen, ook dat zijn aspecten van armoede, vernedering, gebrek aan geborgenheid en tederheid.

Wees dus maar gerust: de arme zal waarschijnlijk nooit aan onze deurbel hangen en om hulp vragen en als hij dat toch zou doen dan zullen we hem niet herkennen. En dus denk ik dat de bergrede en het evangelie ons juist uitnodigt om aandacht te hebben, om een gevoeligheid aan te leggen voor mechanismen van uitsluiting, ze detecteren en aanklagen als onduldbaar voor deze maatschappij.

En dan komen wen tot de essentie van religie: alleen in de rechtvaardige menselijk verhoudingen kan het Goddelijke zich openbaren. De Bergrede en het evangelie plaatsen het rijk der hemelen radicaal in deze wereld. Wie het rijk der hemelen in een wereld hierbuiten plaatst, verdoezelt en verminkt de evangelische boodschap en ontkracht haar.

Als godsdienstleraar kreeg ik soms wel eens de opmerking dat ik moest oppassen om niet in een horizontalisme te vervallen. De opmerking zal wel ergens terecht geweest zijn, maar in feite is het een valse discussie. Wie zichzelf een rechtstreekse toegang tot God verschaft, negeert de menselijke dimensie van ons bestaan, maar ook de weg van de menselijkheid die Jezus heeft willen gaan en geeft zichzelf een vrijgeleide om uit Gods naam te spreken en te handelen, zonder rekening te houden met de menselijke dimensie van het leven en met tijd- en plaatsgebonden omstandigheden. Ik gebruik dienaangaande nog altijd graag de beeldspraak van Levinas. God openbaart zich in het “het gelaat van de andere” die ons uitnodigt tot engagement. Toen ik ooit een student filosofie als stagiair had, wees die me erop dat de filosofie van Levinas de menselijke vrijheid aantast omdat de oproep tot engagement door de “andere” zo dwingend, zo fundamenteel is. Ik ben helemaal geen fanatieke aanhanger van Levinas en filosofisch zal die jongen wel gelijk gehad hebben. Maar als gelovige is het gelaat steeds opnieuw een uitnodiging, niet vanuit een vanboven opgelegd geloof, waardoor die uitnodiging dwingend wordt, maar vanuit een steeds hernieuwde keuze om op te komen voor rechten van de mens in het algemeen en de allerzwaksten in het bijzonder. Geloven is een steeds hernieuwde keuze voor de zwakken, de kleinen, de verdrukten. En dan wordt de tekst van Jesaja wel heel concreet:

Dan worden blinden de ogen geopend,
de oren van doven worden ontsloten.
Verlamden zullen springen als herten,
de mond van stommen zal jubelen:
waterstromen zullen de woestijn splijten,
beken de dorre vlakte doorsnijden.
Het verzengde land wordt een waterplas,
Dorstige grond wordt waterrijk gebied;
waar eenmaal jakhalzen huisden,
maakt dor gras plaats voor riet en biezen.

De tekst is geschreven in de voorwaardelijke wijze. Blinden zullen maar zien, doven zullen maar oren, als de rechtvaardige verhoudingen tussen mensen correct zijn. Het onrecht zelf is de oorzaak van blindheid, verstomming, dood en lijden. Jezus neemt deze thematiek nog veel scherper op, met de veroordeling van een bepaalde klasse, waaronder ook een religieuze kaste, die de wet van de rechtvaardigheid met voeten treedt en neerkijkt op de armen, de uitverkorenen van God. En daar worden ook wij – als religieuze gemeenschap – aangesproken om ons niet - zoals de Farizeeën - te wentelen in een voldaan welbehagen, om ons niet uit - eigen naam - uit te roepen tot de Kerk van God, maar uit naam van de armen. Ons samenkomen hier kan geen cocooning zijn van gelijkgezinden, maar moet het een oriëntatie zijn naar de wereld, om oog te hebben voor onrecht, voor verborgen armoede, voor verdrukking.