21e zondag door het jaar (2009)

Beste dorpsgenoten,
De afgelopen dagen heb ik nagedacht over de lezingen van deze zondag, uit het Boek Jozua en uit het evangelie van Johannes, over mopperende en weigerachtige mensen en leerlingen en over de grote woorden waarmee alles weer goed afliep. En ook heb ik toen de laatste bundel gedichten van Leo Vroman gelezen: Soms is alles eeuwig. En daar las ik: "Systeem! Bent U dat? Wilt u zich dan nog eens uitleggen?" (71)
En ook: "Heeft u ook een huid? Ik verlang er naar om u te zegenen en u aan te raken met een hand slap als een vin en U te aaien en te strelen. Dan kan ik een keer Uw herder zijn, uw broer, vader en moeder, U knuffelen, ja U zelfs voeden, en in mijn verbeelding uw billetjes zachtjes poederen en voelen hoe Wij Elkaar kussen. Maar nee... Op een dag zal een hevig snurken de lucht vullen en we zullen ons afvragen waarom u ons geschapen heeft en wel zó saai dat wij U niet wakker kunnen houden." (84-85)
Deze man van 94, sinds 1947 getrouwd met en nog steeds gek op Tineke, zijn vrouw, dag in dag uit worstelend met oud worden en dood gaan, komt steeds opnieuw aan de praat met Systeem.
Vroman: "Tja. Systeem. De samenhang van het heelal dus. En als we ergens thuis horen, dan toch minstens in het heelal, denk ik soms. Wat wij zijn komt daar immers vandaan en wat wij worden blijft daar ergens wonen. Dat is een heerlijk gevoel en is dus meteen iets om met iedereen te delen die dat al niet op een andere manier weet." Bij Systeem kun je ook denken aan een plant, een lichaam van mens of dier,en een sterrenstelsel, waar nergens plaats is voor een Troon, of een paleis.
Voordat ze gevormd werden, had ik met de jongens en meisjes van groep zeven en acht nog een laatst gesprek. Het moest gaan over God en de Oerknal.
Al pratend kwam iemand met de opmerking: "Na de Oerknal was God niet meer alleen." Mogen wij dan niet zeggen dat God bij het Systeem hoort als een medestander, en dat we nu, samen in het Systeem, één nieuw WIJ zijn? Hij of zij als een gesprekspartner, die mee wil praten en ons ook wat probeert te zeggen.
"Probeert", want hij krijgt daartoe maar weinig kans met zo'n antieke woordenschat..
Woorden uit de lezingen van deze zondag: "De Heer onze God heeft voor onze ogen grote tekenen verricht en ons beschermd op al onze tochten en tegen alle volken." Aldus in de eerste lezing. En het einde van de evangelietekst: "Heer naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven en wij weten en geloven dat gij de Heilige Gods zijt." Nog steeds blijft God het lijdend voorwerp van ons denken en ons spreken en bidden. We prijzen en aanbidden Hem in hooggestemde, eeuwenoude, altijd gelijksoortige woorden, "van geslacht tot geslacht", woorden die niet van onze tijd zijn, alsof God zelf niet van onze tijd is, niet tot onze tijd wordt toegelaten?
Is het een wonder dat Vroman op de gedachte komt dat God van verveling in slaapt valt en snurkt?
Vroman zelf geeft het Systeem ook niet veel kans om iets terug te zeggen, maar daar is hij dichter voor: Hij is als een spin die met zijn woorden een prachtig web weeft. Zonder dat web is de spin nergens.
Wij van onze kant, als delen van het Systeem, hoeven ons niet in woorden te verliezen. Wij kunnen stil zijn als een natuurbeleving ons raakt, en we ons voelen aangesproken en we naar elkaars hand grijpen. Of je voelt je opeens onverklaarbaar gelukkig, in een gesprek "klikt" het, liefde komt op je pad, je weet je omgeven en gedragen door het Systeem.
De grote verhalen zijn na eeuwenlang gebruikt verdampt tot mooie verhalen. Eén openbaring is geschiedenis geworden, een nieuwe laat zich horen in woorden die weer dicht bij het leven staan, ja die we in ons leven wáár kunnen maken, en die bescheiden genoeg zijn om ook De Ander aan het woord te laten komen, het Systeem, waar Vroman als gids, ons allemaal samen brengt onder één dak, ook de Moslims, die zaterdag hun Ramadan, hun vasten, begonnen zijn.

Ik dank u voor uw aandacht.