21e zondag door het jaar B - 2015

Zusters en broeders,

Voor de vijfde week op rij hangt het evangelie samen met de broodvermenigvuldiging. We zagen toen dat Jezus’ tijdgenoten best naar Hem opkeken als het ging om zijn wonderen en zijn aandacht voor mensen in nood, maar de redevoering die Hij daarna hield, nee, daar gingen ze niet in mee. Een redevoering waarin Hij voorhoudt dat Hij de Zoon van God is, en dat wie leeft naar zijn woorden en daden eeuwig leven zal erven. ‘Deze taal stuit tegen de borst. Wie is nog in staat naar Hem te luisteren?’ vragen velen zich af, en ze verlaten zijn gezelschap. Daarop vraagt Jezus aan de twaalf die Hij als zijn apostelen geroepen heeft: ‘Wilt ook gij soms weggaan?’ Als ze willen gaan, zal Hij hen niet tegenhouden, en als ze bij Hem willen blijven, is dat hun keuze. Hij zal hen nergens toe dwingen.

Daarmee tekent Jezus de kern van wat geloven is: het is geen plicht en ook geen dwang, maar een vrije keuze. Je kiest voor het geloof, of je kiest er niet voor. Je wil leven zoals Jezus ons heeft voorgeleefd, dus met liefde voor God en voor elkaar, of je wil dat niet doen, omdat je vooral alleen voor jezelf wil leven.

Met die bewuste keuze voor geloven of niet geloven breekt Jezus helemaal niet met de traditie, integendeel. Dat horen we in de eerste lezing. Het joodse volk heeft het land Kanaän veroverd, en nu stelt hun leider Jozua hen voor de keuze: Willen zij de goden van de volkeren van dat land vereren, of willen zij de Heer dienen die hun ouders en voorouders gediend hebben? Hun antwoord is duidelijk: zij zullen de Heer dienen die hun ouders uit de slavernij heeft bevrijd en die hen tijdens hun veertigjarige tocht door de woestijn beschermd heeft. Het antwoord van Petrus in het evangelie gaat in dezelfde richting. Hij zegt: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan? Uw woorden zijn woorden van eeuwig leven.’

En wij, wat doen wij? Waar kiezen wij voor? Voor geloof of voor ongeloof? Dienen wij de goden van het land waarin we wonen? De goden van bezit en meer bezit, van macht en meer macht, van plezier en nog meer plezier, van egoïsme en nog meer egoïsme, of zeggen ook wij: Heer, naar wie zouden we gaan als we U niet hadden? Hoe zou ons leven zijn zonder U? Hoe zou ons verleden geweest zijn als Gij ons niet de weg had gewezen, als Gij ons niet had bijgestaan in nood, als Gij niet het licht in ons leven waart geweest? Zouden we betere en gelukkigere mensen geworden zijn zonder U?

Het is een vraag die we zeker kunnen stellen: Zijn ongelovige mensen gelukkiger dan gelovige mensen? En als hun aandacht en hun inzet alleen gaat naar de wereld, en niet naar een onzichtbare God, dan zijn ze toch beter voor elkaar en voor hun medemensen? Maar als we om ons heen kijken, dan zien we wat er gebeurt als mensen helemaal buiten God om willen leven: dan maken ze zichzelf tot god. Dan zoeken ze eigenmacht en inzet voor zichzelf, en niet voor anderen. Dan heetten ze vorige eeuw Hitler, Stalin en Mao, en vandaag heten ze Al Quaeda, Al-Sjabaab, Boko Haram, Noord-Korea, Islamitische Staat, Iran en al die andere moslimdictaturen, waar Allah allang verdreven is door de ideologie en de goden van het eigen ik, de eigen macht, de eigen rijkdom en de zelfverering van de zelfverheven leiders.

Zusters en broeders, laat de vraag van Petrus ook onze vraag zijn: ‘Heer, naar wie zouden wij gaan?’ En laten we bidden dat God onze Heer ons zou blijven bijstaan in heel ons doen en denken. Amen.