Tijd door het jaar (B)

De hoogte van God, daar mogen we niets van afdoen. Hij is de Heilige. Het Zijn van God. Wij zijn, we bestaan, maar vergeleken met het Zijn van God bestaan wij niet of nauwelijks. Zoals het licht van de zon de schittering van de sterren doet verdwijnen, zo wordt het zijn van de mensen en van heel de wereld als het ware in het niets opgelost bij de alles overheersende straalkracht van zijn Wezen. Het Zijn van God is zo overweldigend, dat 'de serafijnen hun gelaat bedekken'. Alle verstand van de hemel kan niets beter doen om de grootheid van God te begrijpen dan zich in zijn eigen nietigheid verliezen. Hij is zo groot, dat voor Hem heel de geschapen wereld niet meer is dan een dauwdruppel. Als Job al moest zeggen dat alleen al de aanblik van zijn miseries hem tot niets heeft teruggebracht, waar zou dan de schepping moeten blijven in de aanblik van de grootheid van God? Verzamel alle naties van de aarde, zegt Jesaja, en vermenigvuldig ze tot in het oneindige, in tegenwoordigheid van het Wezen van God zijn ze alsof ze er niet zijn, een druppel aan de emmer, een stofje op de weegschaal (Jes 40,15).

Niet alleen de grootheid van God gaat ons verstand te boven, ook de vernedering van de Zoon is onpeilbaar. Dat wordt uitgedrukt met het woord 'vlees'. "Het brood dat Ik u zal geven is mijn vlees".... "Hoe kan Hij ons Zijn vlees te eten geven?" "Als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet... "wie mijn vlees eet... mijn vlees is echt voedsel"... "wie mijn vlees eet..." 'Vlees' is offervlees en dat was de bedoeling die er van meet af aan al instak. Hij is niet zomaar slachtoffer geworden van een valstrik die een verrader Hem heeft gespannen: "Het Woord is vlees geworden." Het woord is eucharistie geworden. Zijn vernedering ontgaat ons als wij van de onmenselijkheden horen en dan spreken in de trant van: hoe kan God dit toch toestaan? Dan moeten wij bedenken: Hij heeft zijn Zoon, zijn eigen Zoon, niet gespaard. De mensenkinderen die dit alles overkomt, heeft Hij niet minder lief. God is hen in de diepte nabij: "Het woord is voor u heel dichtbij, het ligt in uw mond en uw hart, zodat ge het ook kunt volbrengen" (Deut 30,14).

Een liefde over alle grenzen heen. Hij heeft de meest vernederende situaties doorstaan, om maar bij ons te kunnen zijn in onze vernederende situaties. "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem." Zo dichtbij ons, dat Hij in ons is. We zien hem niet, maar niet omdat Hij zo ver af zou zijn in ondoorgrondelijke verte. We zien Hem niet, omdat Hij zo dichtbij is. Hij verblijft in de diepte van ons wezen, waar wij door onze geïnteresseerdheid in de dingen en de mensen buiten ons, nauwelijks toegang hebben. Om Hem te kunnen ervaren, moeten we offervlees worden zoals Hij. Hij verblijft niet alleen in de diepte van ons wezen, waarmee wij geen voeling hebben, omdat we zo uitgestort leven en opgaan in alles wat buiten ons ligt, maar Hij verblijft ook in de diepte van de vernedering, verloren in de afgrond van het niets van het vlees en van de zonde, slachtoffer van de toorn van God. We leven te zelfverzekerd, we steunen te veel op onszelf. We leven te weinig uit zijn leven en uit de barmhartigheid van God.