Biddend luisteren naar Gods stilte (2006)

Wat heeft de diepgelovige Achterberg meegemaakt dat hij uiteindelijk tot dit gedicht evolueerde? Hij, de taalvirtuoos, die met woorden ongeveer alles kon, stelt plots vast dat hij met zijn woorden God niet meer raakt. Zeker, Achterberg had een verschrikkelijk periode achter de rug van internering vanwege de moord op zijn geliefde. Hij had een boek over Verlaine gelezen die in eenzelfde wanhoop had geschreven:

Montrez-vous, Dieu de douceur,
Fût ce au suprême moment,
Pour qu’aussi l’âme, ma sœur,
Revive éternellement.

Was het de desastreuse nawerking van zijn persoonlijke geschiedenis of gewoon de crisis waarin het calvinisme en heel het christendom geraakte? De tekst zoals hij daar nu staat krijgt voor elke nieuwe lezer een nieuwe betekenis.

In de context van vandaag zou ik het gedicht als volgt begrijpen: veel woorden waarmee we God aanspreken, Hem betrekken in de vragen en noden van deze tijd hebben hun zeggingskracht verloren. Ze slagen er niet meer in ons diepste zelf te beroeren en in beweging te brengen. Vandaar de uitspraak: “Ik kan alleen woorden ontmoeten.” Maar laat daarmee het groeten blijven.

Ook als woorden ontbreken of de taal tekort schiet, laten we blijven groeten. Laten we met heel ons lichaam uitdrukken dat we hopen en verwachten, dat we willen dat God als een “licht ons aanstoot in de morgen” (Oosterhuis).

Achterhuis gaat in het gedicht nog verder als hij schrijft: “zodat ik wel moet geloven dat Gij luistert, zoals ik omgekeerd uw stilte in mij hoor.” Anders gezegd: in het woordeloze groeten, in het met heel zijn lichaam uitdrukken dat we ons beschikbaar stellen voor God, ontstaat een nieuw contact. We gaan God niet meer ontmoeten in namen, in teksten, maar in de stilte. Wanneer de mens zijn eigen armoede onder ogen durft zien en zich zo openstelt voor God, krijgt hij op een nieuwe manier antwoord. God die spreekt in een woordeloze taal. Was het ook dat niet dat we lazen in psalm 19? ‘De kosmos spreekt van Gods glorie. Er is geen spreken en toch wordt een stem gehoord.”

Als woorden tekort schieten om met God in contact te komen is er nog die andere taal, de metataal van zwijgen en luisteren, van durven staan in zijn verlangen. Agustinus schreef in dat opzicht een mooie tekst:

“Uw verlangen is uw gebed, en als uw verlangen niet ophoudt, dan bidt u ook onophoudelijk. Niet voor niets heeft de Apostel gezegd: ‘Bidt zonder ophouden’ (1Tess. 5,17). Moeten we nu altijd knielen, het lichaam op de grond uitstrekken en de handen opheffen, omdat Hij ons zegt: 'Bidt zonder ophouden’? Indien wij alleen dit bidden noemen, dan meen ik dat wij niet zonder ophouden kunnen bidden. Maar er is een ander gebed, een inwendig gebed dat geen einde kent, namelijk het verlangen. Wat u ook doet, indien u de eeuwige sabbat verlangt, dan houdt u niet op te bidden. Als ge niet wilt dat uw bidden ophoudt, houdt dan niet op te verlangen.”

Jezus zegt het in de bergrede hetzelfde op een andere manier. “Als je bidt ga dan in je binnenkamer” en met binnenkamer werd bedoeld de kleine opslagruimte, die midden in het huis lag en geen enkel raam had. Je binnenkamer is dus de diepte van jezelf, waar je enkel nog jezelf toebehoort. Laat daar de stilte doordringen zodat God met jou kan doen wat Hij zelf wilde, niet wat wij hadden gepland.