Bewandel de weg der wijsheid (Spr. 9,6),

 

 “Gebruik uw verstand”; “wees voorzichtig”; “wees wijs”. Het zijn raadgevingen van ouders, wellicht nog meer van moeder dan van vader. Kinderen denken nochtans meestal van zichzelf dat zij wijs zijn. Het verstand is blijkbaar juist verdeeld, want eenieder schijnt met het zijne tevreden te zijn.

Zowel de samensteller van het boek Spreuken als de apostel Paulus (Ef. 5,15-20) gedragen zich als een goede vader en moeder, die hun kinderen omringen met veel zorg. De apostel Paulus deelt als een bekommerde en zorgzame moeder mild zijn raadgevingen mee aan de gemeenschappen die hij heeft gesticht. Toch bedoelt hij daarbij meer dan het gebruik van het zo geprezen “gezond verstand”.

Wat is wijsheid?

Wijsheid is gegroeid uit de praktijk. Ze steunt op levenservaring. Oudere mensen worden geacht wijs te zijn. Ze ontdekken de rode draad in hun leven. Zij proberen daarin eenheid en integriteit te brengen. Zij hebben geleidelijk aan geleerd het leven te aanvaarden zoals het geweest is, als een netwerk van relaties en invloeden. Zij zijn er toe gekomen om het relatieve van mensen en dingen te doorzien. Voor Freud is het een teken van volwassenheid wanneer een mens zijn ouders aanneemt zoals zij zijn en waren. De wijsheid is inzicht en begrip dat tot rijpheid is gekomen. Naar een woord van Teilhard de Chardin tracht de mens op de weg van het ouder worden God te vinden in en doorheen de toenemende afname van krachten en mogelijkheden. Trouver Dieu dans les diminutions. In die geest bidt de psalmist tot God:

Gij, Heer, zijt steeds onze toevlucht geweest

voor ieder geslacht opnieuw.

Leer ons onze dagen naar waarde te schatten

en zo te komen tot wijsheid van hart” (Ps. 90).

Al beseft de oudere de vluchtigheid van het leven, toch is hij geenszins gevrijwaard van stommiteiten. De bijbel prijst Eleazar (2 Mac. 5,18-31) en Simeon (Luc 2,25-35), maar kent evengoed de zwakheid van de priester Eli (1 Sam. 2 27-36).

Wijs en slim

“Wat heb je op school geleerd?” Onderwijzen is het “wonder wijzen” (J. Claes). Een school geeft onderricht, ze brengt veel kennis bij. Ze kan de leerling helpen om te leren onderscheiden. Veel wetenschap en kennis staan niet gelijk aan wijsheid. Een school biedt een opvoedingsproject aan, want zowel het verstand als het hart en het gemoed moeten gevormd worden. Universitaire cursussen geven echter weinig onderricht in affectieve en emotionele intelligentie.

Het heeft weinig belang tot wat wij geroepen werden; beslissend is hoe wij aan onze roeping beantwoord hebben” (André Demedts).

Bronnen van wijsheid

Het zoeken naar wijsheid is in alle grote beschavingen terug te vinden. Spreekwoorden zijn de vroegste uitdrukkingen van een wijze levenservaring. De wijsheidsboeken van het Eerste Verbond hebben invloeden ondergaan van de wijsheid van Egypte en Mesopotamië. Het boek Spreuken bevat een fragment (Spr. 22, 17-23, 12) dat opvallend veel overeenkomst vertoont met het Egyptische wijsheidsboek Amenemope.

De wijze verwijst de mens naar zichzelf. De zin “Ken uzelf” behoort tot de oudste inzichten van de wijsheid. Sint Augustinus hernam dit op zijn manier: “Gij moet niet naar buiten gaan, keer binnen in uzelf. In het innerlijke van de mens woont de waarheid.”

Een wijze heeft doorzicht in de mens. Een arme man wou bij de rabbi komen, maar moest twee uur wachten, omdat daar reeds een rijk man binnen was. Eindelijk geraakte hij bij de rabbi. Deze gaf hem een beetje geld en liet hem meteen buiten gaan. De arme man was ontstemd over deze behandeling en reageerde: “Rabbi, met een rijke spreekt u twee uur en mij stuurt u reeds na twee minuten weg”. De rabbi antwoordde: “Van u wist ik reeds na twee minuten dat u een bedelaar zijt. Maar om hetzelfde te weten te komen van die rijke, heb ik twee uur nodig gehad”.

De wijsheid van andere culturen raakt ons meer dan vroeger. De invloed van het boeddhisme neemt toe in het Westen. De Dalai Lama heeft hier een breed gehoor. Het tweede Vaticaans concilie gaf een aanzet tot een nieuwe kijk op andere religies. De religies worden niet meer louter bekeken als een historisch en cultureel verschijnsel, maar als vormen van aanwezigheid van een zelfde Geest aan het werk in het hart van mensen.

De wijsbegeerte is een zoektocht naar wijsheid om de samenhang in het zijn te ontdekken. De keerzijde van specialisatie en fragmentarisering is dat de mens daardoor zelf vervreemd geraakt van de natuur, van de medemens, van het transcendente en van zijn diepste zelf. (Herman De Dijn, De herontdekking van de ziel, Voor een volwaardige kwaliteitszorg).

Wijsheid in de bijbel

De Joden onderscheiden binnen de Tenach - dit is wat de christenen het Oude of het Eerste Testament noemen - drie groepen van geschriften: de Thora, de Profeten en dan de overige geschriften die vooral wijsheidsliteratuur bevat. Ze geven daarmee aan dat God in deze drie vormen met zijn volk bezig is. “Israël rekent niet alleen de priester met zijn opdracht en de profeet met zijn woord tot de gevolmachtigde leraars van het volk, maar ook de wijze met zijn raad, dit wil zeggen met zijn opvoedende aansporingen. Ook de rijke wijsheidsgeschriften maken deel uit van de bijbelse godsopenbaring” (Leven vanuit het geloof. Leidraad voor het toegepaste christen-zijn, Averbode, p. 31).

Wijsheid is een levenskunst. “De wijze uit de bijbel heeft belangstelling voor de dingen van de natuur (1 Kon. 5,13). Hij tracht vooral te weten te komen hoe hij moet leven om het ware geluk te bereiken. Iedere mens die bedreven is in zijn beroep verdient reeds de naam van wijze (Jes. 40, 20). De wijze bij uitstek is de mens die de levenskunst verstaat. Hij heeft een heldere kijk op de wereld die hem omgeeft en hij vergist zich daarin niet. Hij kent haar gebreken, maar keurt ze niet goed (Spr. 13,7). Als psycholoog weet hij wat in het mensenhart omgaat. Hij verheugt er zich om of hij is er bedroefd om (Spr. 13,12). Hij verschanst zich niet achter de rol van een waarnemer. Als geboren opvoeder stelt hij regels op voor zijn leerlingen, werkzaamheid, nederigheid, bezonnenheid, gereserveerdheid, achtzaamheid in het spreken. Hij verwerkt gans de moraal van de Decaloog in praktische raadgevingen. Hij baseert zijn vermaningen zoveel hij kan op de ervaring, maar zijn inspiratie put hij uit iets dat buiten zijn bereik ligt. Nadat hij met veel moeite de wijsheid verworven heeft, is hij vervuld van verlangen ze aan anderen uit te dragen (Sir 51,13-20). Hij moedigt zijn leerlingen aan zich eveneens in te spannen (Sir. 6,18-37)” (Pastoraal Bijbels Woordenboek, col. 1160-1161).

Waar de profeten zich vooral interesseren voor de geschiedenis van het verbondsvolk, en minder ingaan op de persoonlijke verantwoordelijkheid, besteden de wijzen vooral aandacht aan het leven van de afzonderlijke mens. “Zij zien de mens in zijn grootheid (Sir. 16,24-17,14), zijn ellende (Sir. 40,1-11), zijn eenzaamheid (Job 6,11-30), zijn angst voor de pijn (Job 16) en voor de dood (Pred. 3). Zij kennen de indruk van nietigheid die het leven bij hem achterlaat (Pred. 1, 4-8), zijn onrust tegenover God, die hem onbegrijpelijk (Job 10) of ver verwijderd lijkt (Job 30, 20-23) Zij stellen vragen over de vergelding en zij komen pas na lang zoeken ertoe om deze niet in bedrieglijke aardse waarden te leggen, maar in een geloof op eeuwig leven (Wijsh, 5,15)” (Pastoraal Bijbels Woordenboek, 1161).

De Bijbelse wijze beklemtoont dat de wet van Jahwe de norm is van het wijze handelen. Wanneer de Joden vooral na de ballingschap in contact kwamen met niet-bijbelse wijsheid, tracht de wijze de eigenheid te achterhalen en te bewaren die tot het Woord van God behoort. De wijze houdt zich aan Gods wet. Hij laat zich niet verleiden door wisselvalligheden. “De weg van de rechtschapen is als het heldere licht, dat steeds blijft schijnen tot het volop dag is. De weg van de slechten is als de duisternis. Deze weten niet waarover zij gaan struikelen” (Spr. 4,18-19).

De tegenhanger van de Wijsheid is de dwaasheid. “Vrouwe Dwaasheid is een ongedurig iemand, vol onverstand. Zij weet van niets” (Spreuken, 9, 13-18). Zij houdt geen rekening met de wijze raad van de scheepskapitein: “Gij moet bij het varen u richten naar de sterren en niet naar de lichten van het eerste voorbijvarend schip” (G. Bradley).

Wijsheid, een geschenk van God.

De wijsheid vindt haar oorsprong in God. God kan de wijsheid mededelen aan wie Hij wil, omdat Hij zelf de wijze bij uitstek is. De schrijvers van de bijbelse boeken na de ballingschap verheerlijken de wijsheid dermate dat zij haar met voorliefde verpersoonlijken.  Zij is een geliefde, naar wie men hunkerend uitziet (Sir. 14,22), een beschermende moeder, een echtgenote die voor het levensonderhoud zorgt. Zij is een gastvrouw die gastvrij op haar feestmaal uitnodigt (Spr. 9,1-6). God handelt door zijn wijsheid. Gods wijsheid is een schat die alle andere overtreft. Waarom zou de mens zich dan geen moeite doen om haar als bruid te werven (Wijsh. 8,2)? Zij immers maakt de mensen tot vriend van God (Pastoraal Bijbels Woordenboek, col. 1163).

Jezus, Gods wijsheid.

Jezus is meer dan een wijsheidsleraar. Hij is meer dan koning Solomo en de koningin van Saba. Maar Hij heeft in zijn optreden en in zijn manier van spreken veel gemeens met de Joodse wijsheidsleraars. Jezus was vervuld van wijsheid (Luc. 2,40). “Hij werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen” (Luc. 2,52). Hij zelf zal wijze woorden in de mond van zijn volgelingen leggen om hun tegenstanders te kunnen weerstaan (Luc. 21,15). Jezus is het werktuig van Gods wijsheid (Math. 11,19).

In zijn Broodrede (Joh. 6,51-58) gebruikt Jezus gedachten uit de Wijsheidsliteratuur. Hij zelf is het voedsel en de drank, waartoe de Wijsheid reeds uitnodigde. Hij herneemt haar woorden: “Kom en eet van mijn brood; drink van de wijn die ik gemengd heb.” Wie voor de Wijsheid kiest, wie mee optrekt met Jezus, die verlaat de boosdoeners, “die eten van het brood van slechtheid en drinken uit de wijn van het geweld” (Spr. 4,17). Jezus vraagt dat zijn leerlingen radicaal voor Hem zouden kiezen.

Later stelt de apostel Paulus tegenover de eigengereide, vleselijke en zelfgenoegzame wijsheid van leden van de kerk van Korinthe de gekruisigde Christus (1 Kor. 1,22-25).

Jezus was voor zijn leerlingen een struikelsteen. Hij sprak zoveel van een omgekeerde wereld, waarin andere maatstaven gehanteerd worden. Hij beschouwde zich als de graankorrel, die aan de aarde moet toevertrouwd worden om vruchten voort te brengen. Hij stelde kinderen en kleinen hoger dan geleerden. Hij prees zijn Vader, omdat “Hij de geheimen van het koninkrijk aan kinderen openbaarde” (Alleluiavers uit Mt., 11, 25). Hij zette waarden op hun kop wanneer Hij stelde: “Wie zijn leven wil winnen, zal het verliezen”.

De paradox van Gods wijsheid.

Wijsheid loopt door de school van het lijden. Franciscus van Assisi heeft dit geleerd. Eloi Leclerc vertelt over deze innerlijke weg van Franciscus in zijn boek Sagesse d’un pauvre, de wijsheid van een arme. Hij benadert Franciscus op een ogenblik dat deze een heel diepe crisis doormaakt. Franciscus had zoveel volgelingen gekregen, die onder elkaar gingen ruziën en zijn korte evangelische regel wilden aanpassen. Zijn oorspronkelijk ideaal over het evangelisch leven en de navolging van Vrouw Armoede dreigde te verdwijnen. Franciscus trok zich terug in een kluizenarij, maar zijn donkere nacht bleef in het gebergte voortduren. Een jonge frater kwam hem een toelating vragen om over een boek te mogen beschikken. Franciscus had echter al lang ingezien dat van zodra mensen over iets beschikken, dat zij dit dan willen verdedigen en beschermen. Eloi Leclerc laat Franciscus aan die jonge man dit antwoorden: Jonge man, toen ik zelf jong was, was ik ook bekoord door de boeken. Ik had er graag gehad. Ik dacht toen dat zij mij de wijsheid zouden brengen. Maar alle boeken van de wereld, weet je man, zijn niet in staat om de Wijsheid te geven. U moogt wetenschap met wijsheid niet verwarren. Op ogenblikken van beproeving, nood en tegenslag zullen de boeken ons niet ter hulp komen, maar alleen het lijden van onze Heer Jezus.

Wijsheid moest volgens Franciscus gepaard gaan met een groot geduld, namelijk het geduld van God zelf om in Gods tijd te leven en met Gods maat te meten. “Leren leven in de tijd van God, daar ligt ongetwijfeld het geheim van de wijsheid” (Eloi Leclerc, Sagesse d’un pauvre, p. 63).

Gods tijd ontdekken, dit hield voor Franciscus in dat hij Gods gelaat kon erkennen in dit van Jezus op Goede Vrijdag. Vanuit die bezinning keerde de vrede terug in het hart van Franciscus. Hij had meteen begrepen dat hij niet op eigen kracht moest steunen, maar op die van God. Hij moest niet denken dat hij de laatste verantwoordelijkheid droeg voor zijn stichting. God zelf is haar Herder. Wij komen niet tot Gods wijsheid door te vechten, maar door God te aanbidden (Ibid, p. 92).