Negentiende zondag door het jaar (2009)

"In die tijd morden de Joden over Jezus omdat Hij gezegd had: Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald." Ik ben uit God neergedaald, want de hemel dat betekent God. Toen in de woestijn het brood over de Joden was neergedaald, die noodhulp uit de hemel, zeiden de Joden toen ze het zagen: "Wat is dat? (Ex 16,15), in het Hebreeuws: 'manna'. En Mozes verklaarde: "Dat is brood uit de hemel" (Ex 16,4). "Dat is brood dat God, uw Heer, u te eten geeft" (Ex 16,15). Nu hoorden de Joden Jezus zeggen: "Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald," maar ze zien een mens voor zich staan. En ze zeggen: "Is dat niet Jezus, de zoon van Jozef, en kennen wij zijn vader en moeder niet?" Is Hij dan niet helemaal mens? Hoe kan Hij dan zeggen: "Ik ben uit de hemel neergedaald?" Maar dat is nu juist ons geloof. De aardse mens Jezus, Jezus van Nazareth, is de Christus. De mens Jezus is aards en hemels tegelijk, mens en God in één persoon verenigd.

Wat goed eigenlijk dat wij dit geloof aangereikt krijgen in het kader van een strijdgesprek. In een discussie, in een over en weer tussen Jezus en de eerste toehoorders van zijn aanspraak God en mens te zijn. Ze zeggen: 'Hoe kan dat nu?' Of, als we het een beetje vriendelijker uitdrukken: 'Help ons toch alstublieft dit te geloven, rijk ons een helpende hand!' Nu zegt Jezus: Je kunt dit niet geloven, je kunt dit niet bijeen brengen, God en mens, als de heilige Geest je niet trekt. "Niemand kan tot Mij komen - dat is een uitdrukking voor leerling zijn, - niemand kan mijn leerling zijn - als de Vader, die Mij zond, hem niet trekt."

Hoe trekt de Vader dan? Dat doet Hij in het hart van de mens, door de heilige Geest. We moeten daarom licht krijgen van de heilige Geest. Je moet niet letten op wat je verstand zegt, wat je zintuigen waarnemen, maar je moet letten op je hart, op de bewegingen van je hart, waar de heilige Geest is uitgestort, waar de heilige Geest trekt van de Zoon naar de Vader en van de Vader naar de Zoon. Jezus is toch de Christus, letterlijk: de Gezalfde, de door Gods Geest Gezalfde? Hoe zou je Hem dan kunnen kennen zonder de zalving van de heilige Geest? Als je Jezus zou kennen als God en mens zonder de heilige Geest, dan zou je dus eigenlijk God rechtstreeks kennen. Terwijl Jezus nu juist zegt: ... "Niemand" ..: "niet dat iemand de Vader gezien heeft, alleen Degene die uit God is, heeft de Vader gezien." Door onze band met Jezus, door onze geestelijke verbondenheid, door onze verbondenheid in de heilige Geest met Jezus, en doordat wij in Hem gedoopt zijn, hebben wij deel aan de volheid van de Geest, die over Jezus neerdaalde bij het doopsel in de Jordaan. Dat is de Geest die hemel en aarde boven Jezus bijeenbrengt. Hij brengt in de mens die geloven moet, die op het geloof is aangewezen, God en Mens bijeen.

Het is de heilige Geest, de goede Geest die verbindt, maar de boze geest, de verkeerde geest splijt, scheurt uiteen, verwekt schisma en verdeeldheid. Die zegt: God óf mens. "Hoe kan Hij zeggen: Ik ben uit de hemel neergedaald? En kennen wij zijn vader en moeder niet?" Hij is toch van de mensen! En het is toch God óf mens, niet allebei, deze twee gaan niet samen! Mensen zeggen hetzelfde van de Kerk: de Kerk is heilig of ze is zondig. Die twee: de heiligheid van God en de zondigheid van mensen gaan niet samen. Jawel, dat gaat wél samen, want de heilige Geest brengt bijeen.

Deze situatie lijkt op die van Elia, in de eerste lezing. In de tijd van Elia was de toestand van het volk Gods bijna net zo miserabel als die van de Kerk in onze tijd. En Elia verzuchtte: "Laat mij sterven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen" (1 Kon 19,4). Ik ben er niet beter in geslaagd het volk trouw te laten blijven aan zijn God, dan de profeten vóór mij. Elia is alleen overgebleven. De katholieken in onze dagen hebben een dergelijke ervaring. Ze zijn wel niet de enigen, maar in hun omgeving staan ze meestal wel alleen. Hier één en daar één, en er zijn ook nog andere gelovigen, maar die leven soms niet uit hun geloof, dat zijn gewoontekatholieken. De mensen die uit het geloof leven, hebben de ervaring alleen te staan, net als Elia. Hij heeft een aantal eclatante overwinningen behaald: de hemel gesloten, de Baälpriesters uitgedaagd en in het zand doen bijten. Maar uiteindelijk heeft het allemaal niets uitgehaald. "...Laat mij maar sterven..."

En u weet hoe het dan verder gaat, zoals dat in de Schrift vermeld is, en zoals het zo-even werd voorgelezen. God wil opnieuw beginnen. Niet een nieuw verbond, maar een vernieuwing van het Oude Verbond, dat al inspeelt op het Nieuwe Verbond. "Een engel stiet hem aan en zei: sta op en eet, want anders gaat de tocht uw krachten te boven." Elia at en dronk en in de kracht van dit voedsel liep hij veertig dagen en veertig nachten naar de berg Horeb, de berg van God, voor een ontmoeting met God, voor een vernieuwing van het verbond. Hij wachtte daar en er gebeurde iets verschrikkelijks. Een hevige storm deed rotsblokken verbrijzelden, maar God was niet in de storm. Toen kwam er een aardbeving, maar God was niet in de aardbeving. Toen kwam er een vuur, maar God was niet in het vuur. Tenslotte klonk er het suizen van een zachte bries, en Elia bedekte zijn hoofd met zijn mantel en trok zich in de grot terug. Toen ging Jahweh, de Heer God, hem voorbij (1 Kon 19,11-13). Hoe anders is deze ontmoeting dan de eerste ontmoeting tussen God en zijn volk bij de Sinaï. Die ontmoeting ging gepaard met een geweld aan vuur, verschrikking, een wolk, een aardbeving en een gezamenlijke ervaring. "Heel het volk was met ontzetting geslagen" (Ex 19,19), heel het volk kwam onder de indruk van wat er tussen God en Mozes daar boven op de berg gebeurde.

Nu is Elia alleen, zoals katholieken tegenwoordig alleen zijn. En hij neemt de verschijning van God waar, niet met geweldige gevoelens, niet met indrukwekkende vieringen, niet in een gezamenlijke, ogen en oren strelende gebeurtenis, maar in iets heel zachts, iets heel intiems, diep in het hart, in de inwendige ervaring. Dat is de ervaring van de heilige Geest! Om zo op een nieuwe, meer definitieve en alles doordringende wijze, God en mens met elkaar te verbinden. Zo kun je mens zijn en toch van God zijn.

Het is een verbintenis, een eenheid, zoals wij mogen beleven in de eucharistie. Het brood en de wijn, neerdalend uit de hemel, God zelf, maar Hij neemt een menselijke, aardse gestalte aan en wel zodanig dat wij helemaal onszelf blijven en Hij, via deze gedaante, helemaal in ons binnentreedt. Niet alleen fysiek, lichamelijk, stoffelijk, maar ook geestelijk. Je merkt het nauwelijks, maar het is niet zo dat er ook maar nauwelijks iets gebeurt. Het grijpt heel ons wezen aan, niet alleen het gevoel, maar het dringt door tot in onze substantie, ónder het gevoel, ónder de gedachten. Zoals Hij in de eucharistische aanbidding in het Allerheiligste is uitgesteld, is Hij zoals wij zijn. Je hoort niets, en je ziet niets, maar dat wil niet zeggen dat Hij er niet is. Hij is er, en van daaruit doet Hij iets, en laat Hij van Zich horen. Net als wij in de eucharistische aanbidding, we doen niets en we zeggen niets, maar we zijn er wel, en van daaruit horen we zijn woord en ondergaan we zijn liefde. Dat is wat na de eucharistie aan ons mag gebeuren en in de eucharistie wordt het, nadat we het hebben gehoord, werkelijkheid in het offer en in de communie.

"Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald", zegt Jezus. Hij herneemt de woorden die God sprak tot Mozes, toen deze Hem vroeg naar zijn Naam: "Ik ben die is (Ex 3,14). "Ik ben het levende brood." Datzelfde woord. Het is méér dan iets zeggen, want als iemand iets zegt, houdt hij na een tijdje op met spreken, hij kan niet blijven spreken. En als iemand iets doet, moet hij op een gegeven ogenblik toch ophouden met die handeling. Maar dit 'zijn' is er altijd. Hij is er altijd, en Hij is er niet zomaar, maar Hij is er voor ons, altijd. In de eucharistie spreekt Hij de taal van het lichaam: "Dit is mijn Lichaam" (Lc 22,19). En het bloed dan? Waar is nu zijn Bloed? Dat heeft Hij vergoten en daarom is de hostie bloedeloos, zonder bloed, zonder levenskracht, zonder kleur. Het leven is eruit weg, voor ons. Ik ben er helemaal voor u. Wat Jahwe in het Oude Verbond in Mozes' ziel heeft gedrukt, dat drukt Hij nu in het Lichaam en Bloed van onze Heer Jezus, bij de eucharistische aanbidding werkelijk onder ons tegenwoordig.