19e zondag door het jaar B - 2018

Zusters en broeders,

Wellicht stellen we ons vragen bij de eerste lezing: Wie is Elia, en waarom wil hij sterven?

Elia is een profeet die bijna negenhonderd jaar voor Christus leefde, in de tijd dat de Israëlieten van het noorden halve heidenen waren. Meer dan Jahweh aanbaden ze Baäl, de afgod van Kanaän. Elia gaat daartegen in. Met vierhonderdvijftig profeten van Baäl gaat hij een uitdaging aan, die aantoont dat Jahweh de ware God is, en dat hun god niet eens bestaat. Om zijn macht te laten zien, laat hij al die profeten vermoorden. Dat wordt hem door de koningin van Kanaän niet in dank afgenomen, en ze zweert dat zij hem ook zal vermoorden. Daarom vlucht hij de woestijn in en verlangt hij te sterven. ‘Het wordt mij te veel, Heer. Laat mij sterven, want ik ben niet beter dan mijn voorouders,’ bidt hij.

Het wordt hem te veel, en dat is een gevoel dat ook wij kennen. ‘Het is genoeg geweest’, zeggen we ook. We kunnen niet meer dragen of verdragen wat op ons afkomt. Niet dat we, zoals Elia, in de woestijn onder een bremstruik gaan liggen om te sterven, maar we willen wel opgeven waarmee we bezig zijn. En dat kan met alles te maken hebben. Met onze kerk die leegloopt en gesloten wordt, terwijl wij er zeer aan gehecht zijn en we bij die sluiting niet geraadpleegd werden. Met onze kinderen en kleinkinderen die niets met Kerk en geloof willen te maken hebben. Met de collega’s op het werk die nooit goed vinden wat wij doen. Met zieken in het ziekenhuis en ouderen in het bejaardentehuis die soms echt moeilijk kunnen doen. Met onze kameraden in de jeugdbeweging of de sportclub die niets presteren of ons tegenwerken. Met onze zaak die dreigt failliet te gaan. Met gelijk wat anders, want alles kan tegenslaan of te veel worden.

En misschien geven we, net als Elia, onszelf daarvan de schuld. ‘Ik ben niet beter dan mijn voorouders’, zegt hij, en daarmee bedoelt hij dat hij evenzeer als zijn voorouders ingaat tegen Gods gebod van liefde en vrede. Misschien reageren ook wij op die manier wanneer iets genoeg is geweest. Misschien geven ook wij onszelf de schuld, omdat we vinden dat we verkeerd gehandeld of gereageerd hebben, ons niet genoeg hebben ingespannen, of problemen hebben gezien waar er geen zijn. ‘Eigen schuld, dikke bult’, klinkt het dan in onszelf. ‘Wie zal ons nog ernstig nemen? Wie zal ons kunnen en willen vertrouwen en vergeven?’

Ook dat gevoel kennen we, en het antwoord daarop vinden we in de eerste lezing. Want hoe wreed en mensonwaardig Elia zich ook gedragen heeft, en hoezeer de koningin zich ook wil wreken, God de Heer laat hem niet in de steek, want Hij kan en wil altijd vergeven, hoe zwaar iemand ook in de fout is gegaan. Het zou goed zijn als we dat nooit zouden vergeten, als we dus altijd zouden beseffen dat we terecht kunnen bij de Heer onze God. Dat Hij altijd zal luisteren naar onze woorden en openstaat voor onze gevoelens van wanhoop, schuldbesef, moedeloosheid en radeloosheid. Hij laat ons nooit in de steek. Naar Elia zond Hij een engel die hem in leven hield, ook toen hij opnieuw in doodsverlangen verviel. Naar ons zendt God de Heer geen engel, nee, Hij zendt ons zijn Zoon Jezus, het ‘levende Brood dat uit de hemel is neergedaald.’ ‘Als iemand van dit Brood eet, zal hij leven in eeuwigheid’, voegt Jezus daaraan toe. En dat is wat Hij van zijn tijdgenoten, en dus ook van ons, vraagt: dat we naar zijn woorden en daden van liefde en vrede zouden leven. Want liefde en vrede is het Brood dat Hijzelf is. En dat is wat ook zijn Vader, God de Heer is: liefde en vrede.

Zusters en broeders, liefde en vrede voor God, voor onszelf, voor elkaar en voor de wereld. Laten we daaraan werken. Amen.