18° Zondag B (2012)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden
Vorige week hoorden we over de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging. En ook deze week gaat het in de lezingen om eten! Het gaat wederom om honger, alleen wordt de honger deze week iets anders uitgelegd…

In de eerste lezing mort het volk van Israël; ze zijn ontevreden. Ze zijn met Mozes onderweg gegaan, de woestijn in, gevlucht uit Egypte, weg onder het juk van de farao vandaan, maar ze zitten zonder eten! Iedereen weet hoe essentieel eten is en het wordt de Israëlieten nu zelfs zó gortig, dat ze terug naar hun juk beginnen te verlangen. Het zal wel bar zijn geweest, daar in de woestijn… Maar God heeft hen niet in de steek gelaten; ze zijn op stap onder leiding van Mozes, een kundig leider en gids, en God zorgt voor eten. Kwartels vallen neer in het kamp en de grond ligt bezaaid met brood. God is zeer royaal voor deze mensen als ze op Hem vertrouwen. En laten we eerlijk wezen, het zou ons ook niet slecht uitkomen als de kwartels zo in onze tuin of op het balkon neerstorten en we het brood zo van straat kunnen halen.

Ook in de Evangelielezing komt het volk om eten bij God, nu in de gedaante van Jezus. En Jezus geeft aan dat dat niet de juiste drijfveer is: “niet omdat gij tekenen gezien hebt zoekt ge Mij, maar omdat gij van de broden hebt gegeten tot uw honger was gestild.” Er was vorige week zoals we toen hoorden, nog ruim over. En deze reden dat de mensen Hem weer achterna komen, dat is niet waar het Jezus om gaat. Hij vermaant het volk – en daarmee ons – dat het niet gaat in het leven om het verkrijgen van voedsel (of andere materie) dat vergaat. Dat moeten we niet nastreven. Wat we wél na moeten streven is “het voedsel dat blijft ten eeuwigen leven en dat de Mensenzoon u zal geven.”

Maar wat is dat dan?!  Gelukkig (ook voor ons) geeft Jezus meteen antwoord en dit keer zelfs in klare taal: geloof in Degene die God gezonden heeft.

Dit klinkt eenvoudig en is snel uitvoerbaar, maar als we dat denken, dan zie we de implicaties over het hoofd. Als we geloven, dus oprecht geloven, in Jezus Christus, gezonden door God, betekent dat dat we Hem in zijn leer moeten volgen, wat kort gezegd neerkomt op alleen God eren en onze naasten liefhebben als onszelf. En dat is toch een van de grootste uitdagingen in deze tijd.

Het volk vindt dat dan ook lastig in het vervolg van de lezing en vraagt: wat doet U nu eigenlijk? Wat zijn nou de tekenen waardoor wij kunnen zien dat wij in U moeten geloven? In de eerste lezing krijgen onze voorouders nog manna uit de hemel, maar hoe herkennen wij u?

In principe is dat een vraag die nog steeds geldig is in deze tijd. “Hoe herkennen wij U?”

En dan gebeurt het. De kern van de Evangelielezing van vandaag zit op het eind. Jezus geeft een zelfverklaring en kondigt de instelling van de Eucharistie aan.

Hij legt uit als volgt: het brood dat Mozes gaf, was niet het brood uit de hemel. Het echte brood uit de hemel wordt ons, ook vandaag, door God gegeven in Jezus Christus. Bijna net zo eenvoudig als de kwartels die neervielen in de woestijn.

Jezus is het ware brood dat uit de hemel neerdaalt en leven en voeding geeft aan de wereld. En Jezus vervolgt: wie tot Mij komt zal geen honger meer hebben en wie in Mij gelooft zal geen dorst meer krijgen.

Dit is niet de praktische honger en dorst, nee, dit is honger naar waarheid en goed doen, dit is dorst naar gerechtigheid, eenheid, vrede. En deze dorst en deze honger worden gestild.

Jezus doet dus een oproep, ook tot ons vandaag, tot bekering.

Dat lezen we ook in de brief van Sint Paulus aan de Efeziërs: het gaat niet om het begeren van zaken of eten, leg deze oude mens van uw vroegere levenswandel af! Ons denken, dat van u en dat van mij, moet zich vernieuwen. We moeten nieuwe mensen worden, die hongeren en dorsten naar gerechtigheid en heiligheid, zodat aan ons gezien kan worden dat wij naar Gods beeld zijn geschapen. Niet dat dat dan op ons afstraalt, van: “kijk hem eens heilig doen”, dus tot meerdere glorie van onszelf. Nee, tot meerdere glorie van God (ad maiorem Dei gloriam). Moge het zo zijn. Amen.