18e zondag door het jaar B - 2012

Zusters en broeders,

Vorige week hoorden we het wonder van de broodvermenigvuldiging. Met vijf broden en twee vissen gaf Jezus vijfduizend mannen te eten, en nadien waren er niet minder dan twaalf korven overschot. Dit wonder tekent onze God zoals Jezus Hem heeft geopenbaard: Hij is een God van leven in overvloed voor al zijn schepselen.

Vandaag horen we het vervolg van dit hoofdstuk uit het Johannesevangelie, maar er is een stukje tussenuitgelaten. Vorige week eindigde het evangelie met de mededeling dat Jezus zich na het wonder terugtrok, omdat Hij vreesde dat de menigte zich meester zou maken van Hem en Hem tot koning zou kronen. Wanneer de mensen de volgende morgen dus zien dat Jezus er niet meer is, steken zij het meer over naar Kafarnaüm om Hem te vinden.

Ik denk dat die menigte een na te volgen voorbeeld is voor ons en  onze Kerk. Die mensen gaan op zoek naar Jezus. Misschien zijn hun motieven niet zo zuiver als ze zouden kunnen zijn, maar hoe dan ook, ze gaan op zoek naar Jezus, en ze willen Hem absoluut ook vinden. Ze komen uit de overvloed van de broodvermenigvuldiging, en wellicht willen ze die overvloed bestendigen. Ook wij komen uit de overvloed, en ook wij willen die overvloed bestendigen. En onze overvloed, dat was een overvloed aan priesters, zusters, missionarissen, bomvolle kerken, feesten, verenigingen en noem maar op. Een eeuwenlange overvloed van macht, van meedrijven op de stroom, van wederzijdse steun, van een leidinggevende clerus en een volgzame kudde. Vandaag echter kennen we alleen maar tekort. Tekort aan priesters, aan leiding, aan gemeenschap, aan jeugd, aan enthousiasme, aan blijdschap. We zijn stuurloos, en het enige wat we kunnen doen is op zoek gaan naar Jezus. En als we Hem gevonden hebben, kunnen we alleen maar dezelfde vraag stellen als die menigte: ‘Wat moeten we doen?’ Pas als we die vraag stellen, kunnen we de weg vinden. En pas als onze Kerk die vraag stelt, zal ze echt Kerk worden. Niet zeggen: ‘Ik zal dit doen en ik zal dat doen’, maar nederig vragen: ‘Heer, wat moeten we doen?’ Het antwoord van Jezus is zo eenvoudig als maar kan zijn: ‘Je moet geloven in Hem die God gezonden heeft.’

Maar nog voor de menigte zijn ook de leerlingen Jezus al achterna gegaan.  Wanneer ze merken dat Hij verdwenen is, stappen ze bij het vallen van de avond in hun boot. Ze willen naar Kafarnaüm terugvaren, want ze denken dat Hij daar naartoe is gegaan.  Maar iets over halfweg komen ze in woelig water terecht. Het wordt almaar donkerder en donkerder, er steekt een stevige wind op en het meer wordt onstuimig. Ze geraken geen meter meer vooruit. Pas wanneer Jezus hen tegemoetkomt, slagen ze erin hun boot veilig aan land te brengen, en wel precies op de plaats waar ze naartoe wilden. En die plaats, dat is bij Jezus. Want misschien waren ook hun motieven niet echt zo zuiver, misschien wilden ook zij Hem wel tot koning kronen, en zagen ze zich al minister in zijn regering. Maar onderweg naar die droom raken ze volledig uit koers en weten ze niet meer waarheen.

Natuurlijk raken ze uit koers, en natuurlijk weten ze niet meer waarheen! Ze willen immers een weg gaan die niet de weg van Jezus is, meer nog, ze willen Hem die weg opdringen. Maar Hij brengt hen op hun plaats terug, en die plaats, dat is bij Hem, meer nog: die plaats, dat is Hijzelf.

Zusters en broeders, ik denk dat de vingerwijzing duidelijk is. In welk woelig water wij en onze Kerk ons ook bevinden, er is maar één weg, en die weg is Jezus. Niet onze weg, niet de weg van de Kerk, maar enkel en alleen de weg van Jezus. We moeten ons dus aan die menigte spiegelen, en aan Jezus vragen: ‘Wat moeten we doen?’ We kennen het antwoord: ‘Geloven in Hem die God gezonden heeft.’

Wat kan het leven van een christen toch eenvoudig zijn! Zelfs in barre tijden. Amen.