Ga je griezelsprookjes elders vertellen!

Beste vrienden,

Wanneer er iemand komt en begint te schelden, op de maatschappij, de structuren of de overheid, dan kan hij altijd zeker zijn van succes. Wie fouten onthult, hetzij van Politici, van gekende economen of van Kerkelijke waardigheidsbekleders, die heeft altijd succes. Want dat willen de mensen blijkbaar horen. Zout in de wonden strooien, duidelijk zeggen wat er gedaan had moeten worden, hoeveel men toch verzuimd heeft om te doen, dat heeft altijd succes. Je kan daar zelfs van leven. En menigeen verdient er zelfs een rijkelijke boterham mee. Die zijn dan beroepscritici geworden. Je komt ze tegen in dag en weekbladen, in de radio en op de televisie. Ze graven elk schandaal uit, volgen elke hoogwaardigheidsbekleder of BV met argusogen op, en vertellen ons haarscherp wat anderen allemaal verkeerd doen.

Alles wordt gerapporteerd, zowel beroepsmatig als privé, in die job kent men geen grenzen. Er is maar een zaak die je als beroepscriticus best moet vermijden: Wanneer je van je reportages moet leven, dan kan je best vermijden om over de fouten van je eigen publiek te praten. Over de fouten van je lezers, je toehoorders of je kijkers, zelfs over de fouten van diegenen die de advertenties in je blad of uitzending plaatsen kan je best je mond houden. Je kan iedereen door het slijk sleuren, maar niet diegenen op wier geld je aangewezen bent. Wiens brood ik eet, diens lied ik zing!

Dat is al altijd zo geweest en dus zeker geen uitvinding van onze tijd. In het oude Israël had je bijvoorbeeld reeds de zogenaamde beroepsprofeten die volgens dat principe werkten, en velen onder hen leefden daar ook zeer goed van. De welgestelde beroepsprofeten met hoog aanzien vond je doorgaans aan het koninklijke hof en de minder succesvolle bij de heiligdommen; die verdienden hun boterham bij het gewone volk.

Een ding hadden ze allemaal gemeen: De schuld lag altijd bij de anderen! Dat was het kenmerk van hun boodschap, telkens weer. Ze praatten hun opdrachtgevers altijd naar de mond, zegden datgene wat hun publiek wilde horen en verzekerden zich daardoor van succes.

Dat was het verschil tussen de beroepsprofeten en de profeten door roeping, die profeten waarvan de boodschap een weerklank vond in de Bijbel.

Amos, waarvan sprake in de lezing, was een profeet uit roeping. Helemaal geen beroepsprofeet. Amos was een herder uit Tekoa, een plaats aan de grens van de woestijn van Juda. Daar hoedde hij zijn kudde en kweekte hij wilde vijgen. En daar voelde hij hoe Jahweh hem vanachter zijn kudde uitpikte en merkte hij dat hij een boodschap te brengen had; heel onprofessioneel en in de ogen van de beroepsprofeten ook helemaal niet gekwalificeerd. Hij verliet zijn kudde, verliet het Zuidrijk Juda en trok naar het Noordrijk Israël. Hij begaf zich naar het hof van de koning en vooral ook naar het rijksheiligdom van Betel. Daar begon hij zijn boodschap te verkondigen

En die boodschap was heel anders dan die, die de mensen daar gewoon waren. Hij vertelde de koning in zijn gezicht dat niet de anderen, maar wel hijzelf, schuld had aan de toestanden die onder het volk heersten. Hij was verantwoordelijk omdat Hij het recht met de voeten had getreden, omdat hij vensters en deuren had opengezet voor corruptie, en alleen maar oog had voor zijn eigen voordeel. De verantwoordelijken in de dorpen hield hij voor dat ze de weduwen en de wezen, de armen, de rechtelozen en de hulpbehoevenden onderdrukten en knechtten.

En de vrome vrouwen van Samaria, met hun prachtige garderobes en juwelen, vergeleek hij met de koeien van Bashan. Hij verweet hen dat ze zich om niets anders meer bekommerden dan hoe ze hun eigen schaapjes op het droge konden brengen.

Amos brandmerkte een maatschappij die in het eigen egoïsme dreigde te verstikken, een maatschappij waar iedereen alleen nog maar aan zichzelf dacht, en de anderen bijna niet meer meetelden. En hij brandmerkte die maatschappij door ieder individu een spiegel voor te houden, door hen duidelijk te maken dat niet de anderen, maar ieder voor zichzelf ervoor verantwoordelijk was, dat Israël onontkoombaar naar de catastrofe afgleed.

Dat was een heel andere boodschap dan die van de beroepsprofeten. Het was een boodschap die niemand wilde horen. “Ga weg, ziener, pak je biezen” zegde de priester in het rijksheiligdom in Betel, “maak dat je wegkomt, terug naar Juda. Eet daar je brood en vertel je griezelsprookjes aan anderen. Misschien willen die ze wel horen!” Zoals men Jahwes boodschap, Gods boodschap, in de geschiedenis van de mensheid nooit graag ter kennis heeft genomen. En daar is intussen al 2750 jaar hoegenaamd geen verandering in gekomen.

Wat zouden wij zeggen, wanneer de profeet Amos vandaag bij ons zou optreden, wanneer hij ons, en de Kerk, de spiegel zou voorhouden? Wat zouden wij zeggen wanneer hij ons onze traagheid van handelen, ons gebrek aan bereidheid om ons voor anderen in te zetten, ons eeuwig gevraag wat wij eraan hebben wanneer we ons engageren, wanneer hij ons dat allemaal zou voorhouden? Wat zouden wij zeggen wanneer hij ons onze voortdurende luie uitvlucht dat we toch geen tijd hebben, geen tijd voor ons geloof, geen tijd voor onze medemensen, om de oren zou slaan?

Wat zouden wij zeggen wanneer hij ons zou verwijten dat er niets verandert omdat helemaal niet bereid zijn om iets, en vooral ook niet onszelf, te veranderen!

Toen hebben de mensen geantwoord: “Maak dat je wegkomt, eet je brood ergens anders, en vertel je griezelsprookjes maar aan anderen. Wij willen ze niet horen!”

Amen.