Ongeloof in zijn vaderstad (Mc. 6,1-6)

Het kleine stadje Nazareth is wereldbekend dankzij Jezus, maar hij zelf is bij leven geen ereburger geworden van zijn vaderstad. Sinds hij, ongeveer dertig jaar oud, van daar vertrok, boterde het niet zo goed meer tussen hem en zijn dorp (stad). Zijn familie wilde hem terughalen wanneer hij in Kafarnaüm actief was in de verkondiging van het Rijk Gods. Hij is op hun vraag niet ingegaan. Toch is hij een tijd nadien voor enkele dagen naar zijn heimat teruggekeerd. Hij was er samen met zijn leerlingen; Hij had immers het voornemen om zijn boodschap in alle steden en dorpen te brengen.

Verwondering en afwijzing

Op de sabbat is hij er naar de synagoog geweest en heeft er het woord genomen. Elke volwassen man mag dat. Wat hij gezegd heeft en over welk Schriftwoord, dit heeft Marcus in zijn verhaal niet weergegeven. Hij geeft toch aan dat Jezus indruk heeft gemaakt. De toehoorders vragen zich met verwondering af waar deze timmerman de wijsheid heeft opgedaan. Er is verwondering en afwijzing. Uit de reactie van de toehoorders weten we dat Jezus een timmerman was, de zoon van Maria. Hij heeft met handenarbeid zijn brood verdiend. Hij hoorde thuis in een grotere familie van broers en zusters. De eerste worden bij naam genoemd, de tweede niet. Men neemt aan dat Jozef toen al overleden was. Jezus speelt op eigen terrein, maar dat wordt hem blijkbaar niet in dank afgenomen.

Jezus stoot op onbegrip. De verwijzing naar zijn beroep, afkomst is een reden om niet open te staan voor zijn boodschap. Er is geen klimaat van welwillendheid. Jezus is geremd door de onverschilligheid in zijn vaderstad. Jezus is verwonderd over het ongeloof.

We weten niet hoe zijn leerlingen zich hierbij voelden. Ze moesten zelf nog groeien. Eerder hadden ze bij de bevolking in Kafarnaüm de geestdrift gemerkt van de toehoorders voor de leer van Jezus en over het gezag van Jezus (Mc. 1,22). In Nazareth zien ze het ongeloof, dat een rem is voorde groei van het rijk.

Nabijheid en afstand

Jezus haalt het woord aan: “Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn eigen vaderstad, bij zijn familie en in eigen huis.” Door de nabijheid kennen we de kleine kanten van mensen. Enige afstandelijkheid kan veiligheid scheppen. Familiarity breeds contempt. Vertrouwelijkheid leidt tot verachting.

In de benoemingspolitiek in onze streken was het niet gebruikelijk een priester in zijn geboortedorp een pastoorstaak toe te vertrouwen. In de tijd van het rijke roomse leven werd de nieuwgewijde feestelijk onthaald. Priesters hebben zich gegeven voor de bloei van hun parochie. Of we echt profeet waren? Een profeet komt op voor Gods gerechtigheid en de zorg voor de mens. Hij kan een dwarsligger zijn. Niet alle profeten zijn in Israël geëerd. Wat Jezus meemaakt in Nazareth is een voorbode van wat hem later in Jeruzalem te wachten staat.

God binnenlaten

In Nazareth hebben zijn stads of dorpsgenoten moeite om in een timmerman een verkondiger te zien. God roept op tot geloof en gebruikt daarvoor geen spectaculaire dingen. Zij vinden redenen om er niet te moeten op ingaan. Ze betwisten het gezag van de boodschapper. Ze halen hem naar beneden, ze nivelleren en reduceren. Jezus kan daardoor in Nazareth niets verrichten; “Wie met dooddoeners dweept, zal op zijn weg niets anders dan lijken vinden. Zowel God als Jezus respecteren dit nevellerende en angstige tegenspel. ‘God kan alles. Eén ding ligt echter niet in zijn macht: de vreze des Heren. Die moet de mens zelf weten op te brengen’ (joods gezegde). ‘God is overal waar je Hem binnenlaat,’ zei een chassidische meester uit de vorige eeuw” (B. Standaert, De Jezusruimte, p. 64).

Onze belangstelling gaat misschien alleen maar uit naar gezondheid, gezin, geborgenheid, en geld. Onze manier van verkondigen is allicht te tam en te braaf. Ze zet niet in beweging. Komen we er toe om Jezus te aanvaarden in het dagdagelijkse? Het is gemakkelijker vanuit de verte te geloven en te beminnen als dichtbij. In en aan het concrete kunnen mensen zich ergeren en er zich aan storen. Wanneer Jezus ons nabijkomt, hoe gaan we ons tot hem over verhouden? “In de nabijheid wordt alles moeilijker. Het amen bij de communie, dat gaat nog. Maar een amen zeggen en geloven dat Christus nabij is in de mens naast mij bij de communie, in de kerk, thuis, dat gaat minder vlot” (SonntagsSchott).

Door mijn gedrag en mijn gebrek aan liefde voor Christus en voor medemensen, kan ik iemand zijn die aanstoot geeft; iemand die belet dat mensen Jezus kunnen ontmoeten. Ben ik een hindernis en een struikelsteen voor iemand die naar Jezus toe wil gaan of ben ik een wegwijzer naar hem?