Ik ken jou, ge hoeft me niets meer te zeggen

14e zondag door het jaar       Cyclus B         2012                                        Ez 1, 28c–2,5

                                                                                                                        Mk 6, 1b-6

 

Ik ken jou, ge hoeft me niets meer te zeggen!

 

Beste vrienden,


„Jou ken ik maar al te goed, aan mij moet gij niets meer vertellen“ – met deze of met een gelijkaardige zin beginnen doorgaans gesprekken die eigenlijk helemaal geen gesprek zijn, omdat ze al voorbij zijn voor ze echt begonnen zijn.  Het is toch zo: Op een muur van vooraf vastgelegde standpunten, vooroordelen en voorwendsels kaatsen toch alle argumenten af.  Als ik er bovendien ook nog van overtuigd ben dat die andere me toch niets nieuws kan vertellen, dan is logisch gezien ook elk verder woord overbodig. In het evangelie van vandaag draait gewoon alles rond dit onderwerp. Het begint eigenlijk heel hoopvol: Na de genezing van de bloedvloeiende vrouw en de opwekking van het dochtertje van Jaïrus komt Jezus met zijn leerlingen aan in zijn vaderstad, Nazareth. Wat “hun” Jezus allemaal heeft verwezenlijkt, dat heeft zich al als een lopend vuur verspreid, en ze zijn dan ook zeer ingenomen met Hem.   Ze luisteren aandachtig naar zijn woorden, vallen van de ene verbazing in de andere en zijn verwonderd over zijn bekwaamheid. Je zou toch wel echt trots kunnen zijn op die “beroemde zoon van het dorp”.  

Maar dan schuift zich als het ware een plank voor het verstand van zo velen, een plank uit vooroordelen en beperkingen. “Is dat niet de zoon van de timmerman die we al van kindsbeen kennen? We kennen toch ook zijn familie en zijn vrienden. We weten hoe hij is opgegroeid. En we weten toch meer dan genoeg van Hem, van zijn familie en van al zijn verwanten!“

Op die manier trekt men Hem naar beneden, naar het eigen lage niveau, zo onder het motto: “Die denkt zeker wel dat hij iets bijzonders is? Hij is toch niet beter dan wij!! 

Wat is er daar gebeurd? Hoe kan die aanvankelijke bewondering van de mensen zo plots omslaan in afwijzing? Is het misschien dat zelfde soort van nijd die sommige collega’s leraren ertoe brengt om te spotten met diegene uit hun midden die een carrièresprong heeft gemaakt en tot directeur is bevorderd?  Of willen ze gewoon niet aanvaarden dat jonge mensen hun eigen weg gaan en omwille van dat feit met sancties van hun ouders moeten rekenen?  Of zijn het misschien gewoon minderwaardigheidsgevoelens die zowat in ieder van ons aanwezig zijn en die maken dat we het niet goed verdragen dat iemand anders meer vooruitgang zou maken dan wij?    Die filter van onze vooringenomenheid en onze vooroordelen maakt dat wij de dingen dikwijls anders zien dan ze, objectief bekeken, werkelijk zijn. 

Als we ook maar een klein beetje zelfkritisch zijn, dan moeten we toch toegeven dat we er allemaal wel toe neigen om onze eigen mening als de enige ware te aanzien.   En dan is het toch duidelijk dat men die mening er ook kost wat kost moet doordrukken. De absolute waarheid moet toch dezelfde zijn voor iedereen.  En als iemand die waarheid van jou niet wil aannemen, dan moet je hem maar met alle macht duidelijk maken dat jij gelijk hebt en niemand anders.  

__MCE_ITEM__-         Dat maakt bijvoorbeeld een dochter van zestig mee, wier moeder van vijfentachtig haar nog altijd wil opleggen hoe ze haar huishouden te voeren heeft.

__MCE_ITEM__-         De opvolger van een bevorderd diensthoofd toont dat aan door alles te veranderen omdat zijn voorganger toch wel niets op de goede manier heeft gedaan.  

__MCE_ITEM__-         Ook de nieuwe verantwoordelijken van een firma ervaren dat, omdat hun gepensioneerde directeur alle dagen weer terug over het terrein loopt om telkens weer vast te stellen dat, sinds hij weg is, alles in het honderd loopt.

 

Ik weet het wel, ik heb misschien wat overdreven, Maar in deze voorbeelden wordt het ons toch duidelijk hoe dikwijls iedereen zijn eigen mening als de enige juiste beschouwt en zelfs niet op het idee zou komen dat de mening van de andere misschien toch dichter bij de waarheid zou kunnen liggen.   

Dat is vooral noodlottig wanneer onze vooringenomenheid de weg naar God verspert. Als we door onze zienswijze zelfs aan Hem willen voorschrijven wat Hij te doen en te laten heeft. Want zo verhinderen wij dat Jezus ons met zijn boodschap kan raken.  Het evangelie van vandaag laat ons dat overduidelijk zien: De inwoners van Nazareth wijzen niet alleen de persoon van Jezus af, maar ook de boodschap die Hij verkondigt.

 

__MCE_ITEM__-         De boodschap dat God niet kijkt naar rituelen en prestaties, maar dat Hij iedereen, zonder voorbehoud, graag ziet.

__MCE_ITEM__-         Dat God ons lijden wel niet verhindert, maar dat Hij ons in het lijden ontmoet, ons bijstaat en troost.

__MCE_ITEM__-         Dat rijkdom en positie in de maatschappij voor Hem niet belangrijk zijn, maar enkel en alleen een liefhebbend hart.

__MCE_ITEM__-         Dat God geen marionettenspeler is, maar dat Hij ons mensen, in vrijheid laat leven.

__MCE_ITEM__-         Dat Hij ook zeker geen Kafkaiaanse ambtenaar is, die net zoals een politieagent op onze handel en wandel waakt, maar dat hij ons zijn geboden alleen maar als wegwijzers naar het geluk en de liefde heeft meegegeven. 

 

Om al datgene wat Jezus ons over God vertelt ook echt te kunnen geloven moet ik Hem zonder voorbehoud vertrouwen, moet ik open staan voor al die verrassingen die God nog voor mij in petto heeft.  

De inwoners van Nazareth konden dat niet, en daarom achtten zij Jezus ook tot niets in staat.   Hij kon voor hen dan ook niets doen en trok consequent verder.  

Om het gevaar niet te lopen dat God op die manier ook „aan mij voorbijgaat“ moet ik mijn vooringenomenheid overwinnen, net zoals Nathanael. Die zegde toch eerst ook “ wat goeds kan er uit Galilea voortkomen?” Maar Nathanael heeft zich op die uitspraak niet vastgepind. Hij heeft Jezus’ antwoord “kom en zie” voor zichzelf zo begrepen dat hij over diens woorden heeft nagedacht en dan tot de conclusie kwam dat hij Hem zijn volle vertrouwen kon schenken.  

Zo heeft Nathanael dan een nieuwe waarheid ontdekt. Een waarheid die niet overeenkomt met menselijk verstand en menselijke denkpatronen, maar die deel uitmaakt van de blije en bevrijdende boodschap van God.  Hij heeft voor zichzelf ervaren, en ook toegegeven, dat zijn zicht op het geheel zeker niet altijd verkeerd was, maar dat het ook niet altijd overeenkomt met de alles omvattende waarheid.   

Misschien kan het volgende verhaal, dat aan Boeddha wordt toegeschreven, ons hierbij verder helpen:    
Een groep blinde mensen komt bij een olifant. Ieder van hen wil weten wat een olifant eigenlijk is en daarom gaan ze hem betasten.  De eerste, die een voorpoot betast zegt”Een olifant is een reusachtige grote zuil”. “Onzin” roept een andere, die zijn hand over de slurf laat glijden „ het is een dikke beweeglijke slang“. “Een olifant is een harde gladde stang“ schreeuwt de derde, die een slagtand te pakken heeft. Als nog twee anderen van de groep de oren voor palmbladeren houden en de staart voor een enorm penseel, beginnen ze onder mekaar te ruziën en te vechten.  Iedere blinde van de groep is er van overtuigd dat hij de ganse waarheid over de olifant heeft ontdekt – en toch heeft elk van hen maar een deeltje van de ganse waarheid gevonden.   

Misschien zouden we in de toekomst meer aan die olifant moeten denken als wij ook weer eens menen dat we de ganse waarheid in pacht hebben en als we dan aan de anderen weer eens willen zeggen: „Jou ken ik maar al te goed, aan mij moet gij niets meer vertellen”. 

Amen