Dertiende zondag door het jaar (2006)

Beste dorpsgenoten,

"Niet God heeft de dood gemaakt en hij schept geen behagen in de ondergang der levenden... Maar door de afgunst van de duivel kwam de dood in de wereld."

Aldus de eerste en laatste zin uit de eerste lezing van deze zondag. Het deed me denken aan het gezegde: "Of je nu door de kat of de hond gebeten wordt." God schept dan wel geen behagen in de ondergang de levenden, maar hij doet er ook niets tegen. En de afgunst van de duivel maakt ons evenmin wijzer als we meer willen weten over het feit dat we allemaal zullen sterven. Het mag dan wel een citaat zijn uit het boek der Wijsheid, een van de boeken van de bijbel. We worden er beslist niet wijzer van.

Dan naar het evangelie, twee verhalen in één verpakking!

We horen over een vrouw die lijdt aan bloedvloeiing. Ik weet niet wat de hedendaagse medische naam er voor is. In elk geval was het in de tijd van Jezus niet alleen een medisch probleem maar had het ook intense sociale gevolgen. Iemand met zulke ziekte heette toen onrein, juist als een melaatse, omdat er kwestie was van bloed. Zo iemand mocht daarom niet op straat komen, moest zich als een stuk vuilnis verborgen houden, mocht niemand aanraken noch aangeraakt worden op straffe van religieuze onreinheid.

U kunt zich voorstellen dat die vrouw geen leven had. Maar zij was evenmin dood. Zij wilde niets dan volwaardig leven. Wat zij over Jezus gehoord had gaf haar de moed alles op alles te zetten en helemaal tegen de keer in te gaan. Het was ondenkbaar dat zij de straat zou opgaan en de kleren van Jezus aanraken. Zij deed precies dat, zo hartstochtelijk wilde ze leven en zo zeker was zij er van dat voor Jezus het leven alles was. En zij kreeg gelijk: "Uw geloof, dat wil zeggen: uw hartstocht om te leven, heeft u genezen." Jezus kende zich in haar terug.

Het andere verhaal ging over een meisje dat elk ogenblik kon sterven, zoals haar vader tegen Jezus gezegd had. Dat meisje was niet ziek, zei Jezus maar het sliep. Ik stel me voor dat het niet de moed had om te leven, zo heel anders dan bij de vrouw uit het eerste verhaal.

Jezus nam het kind bij de hand en zei: "Meisje, sta op." Onmiddellijk stond het meisje op en liep rond want het was twaalf jaar. In de tijd van Jezus had een meisje van twaalf haar huwbare leeftijd bereikt en was ze klaar voor het volle leven, klaar om er in te springen. Nou ja, klaar... Ik kan me voorstellen dat iemand van twaalf de sprong nog niet durfde te wagen.

Twaalf jaar. Dat getal deed me denken aan de zeven meisjes en de vijf jongens van onze basisschool en aan kinderen van neven en nichten van me, die vrijdag afscheid genomen hebben van de basisschool. Over acht weken zullen ze door weer en wind zich iedere dag opnieuw een weg moeten zoeken in een heel nieuwe wereld van de middelbare school. Ze zijn nog wel niet klaar voor het volle leven maar ze zullen van nu af aan toch vaak een sprong moeten wagen.

Jezus maakte eerst een einde aan de drukte en het rouwmisbaar rondom het meisje. Hij pakte haar bij hand en zei alleen maar: "Meisje, sta op." Alsof hij zeggen wilde: "Kom, het zal je vast wel lukken." Verder geen gepraat of goede raad. En hij had een boodschap voor de ouders: "Geef haar te eten."

Eten, niet alleen om haar buikje vol te krijgen maar ook het soort eten dat helpt om de moed om te springen er in te houden.

Zo'n ervaring en zo'n wijsheid wens ik toe aan al die kinderen van twaalf jaar en hun ouders.

Dat het zo moge worden.