Dertiende zondag door het jaar (2009)

Inleiding

'Plaudite manibus.' Het staat er toch echt: 'Klapt in de handen voor de Heer.' Applaus voor God. Wij klappen eigenlijk alleen maar wanneer een musicus of een toneelspeler op een geslaagde wijze zijn muziekstuk of zijn rol heeft gespeeld. Welke rol heeft God nu vervuld, dat er aan ons wordt gevraagd te applaudisseren voor Hem? Waarmee feliciteren wij Hem? Wij applaudisseren voor Hem om Jezus! Jezus, die centraal staat wanneer wij, zoals elke zondag, de verrijzenis vieren. En vandaag staat Hij wel heel bijzonder in het middelpunt, als wij Hem een dodenopwekking zien verrichten: de opwekking van het dochtertje van Jaïrus. Jezus staat in het midden van zijn Kerk, levend en levengevend, zoals Hij aan het dochtertje van Jaïrus het leven gaf. Dat is echter niet zo maar leven, het aardse leven, maar dat is het leven dat Hij liet zien toen Hij de leerlingen zijn handen en zijn zijde toonde. Dat is het leven van achter de dood!
Het leven is vol van onze zonden, van onze doodsdrift, van onze vernietigingswil. Zoals bij een inenting. Iemand wil zich laten inenten tegen een ziekte, zodat hij daar immuun voor wordt, daar tegen opgewassen is. Hij krijgt een bepaalde dosering ingespoten precies van die ziektekiemen waartegen hij zich wil laten beschermen, en daarmee bouwt hij dan antistoffen op en zo wordt hij immuun voor die ziekte. Jezus heeft Zich door ons laten volspuiten met de ziektekiemen van de dood en bouwde daarmee antistoffen op. Zo staat Hij in ons midden. Jezus heeft de zonden, en daarmee de dood, van de mensen op Zich genomen, de dood die de mensen voor Hem gekozen hebben, om ons dat nieuwe leven te schenken, het leven dat bestand is tegen de dood, tegen moedeloze, dodelijke gedachten en gevoelens. In het teken van dát nieuwe leven zijn wij gedoopt.
Aan het begin van de zondagse eucharistie willen wij die grondslag van ons christelijk bestaan opnieuw vieren: het leven door de dood heen, dat wij hebben ontvangen bij ons doopsel. We worden ondergedompeld in het waterbad van Jezus' dood, om door God te worden opgewekt tot dat nieuwe leven, dat doodbestendige leven, dat leven waar de dood geen greep op heeft.

Homilie

Dit lange verhaal zit vol met details over iets dat zo lang geleden gebeurd is, zo ver weg, en in omstandigheden waarin wij nu niet meer leven. Het lijkt allemaal als was het van een andere planeet. Moeten wij daarmee bezig gehouden worden? Maar van de andere kant is het ook een heel gewoon verhaal, zelfs een heel allerdaags verhaal. Zó gewoon en alledaags, dat het eigenlijk niet de moeite waard is om het te verhalen. Want het is een verhaal over leven en dood. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat ouders een kind verliezen of dreigen te verliezen.

In de tijd van Jezus wist men geen raad met ziektes zoals wij dat in onze tijd weten. Aan de ziekte van het meisje is gewoon niets meer te doen. Zoals gezegd: "Het kan elk ogenblik sterven"; ze leeft op de rand van het graf. Ten einde raad gaat haar vader naar Jezus, en Jezus gaat met hem mee. Er is dus toch nog hoop. Nu komt misschien alles toch weer goed. Jezus schijnt er zelf iets aan te willen doen, anders was Hij niet met de vader meegegaan. Maar dan komt uit het huis van de overste de boodschap: "Uw dochter is gestorven. Waartoe zoudt u de Meester nog langer lastig vallen?" Laat maar zitten, het hoeft niet meer. Er is echt geen helpen meer aan. Het meisje is dood.
De vader was al tot het uiterste gegaan. Hij achtte Jezus in staat om zijn dochtertje van de drempel van de dood weg te halen, uit de afgrond van het leven terug te halen. En wat zegt nu Jezus tot die vader? "Wees niet bang, maar blijf geloven." Hoe kan Hij zoiets zeggen? Maar te midden van de opwinding, van de verbijstering, van de ontsteltenis van de berichtgevers met hun uitgebluste verwachtingen, te midden ook van de verwildering bij de vader, die zijn laatste sprankje hoop ziet uitblussen, die zijn laatste riethalm, waaraan hij zich had vastgegrepen, onder zijn handen ziet afbreken, ziet de vader het gelaat van Jezus en daarop een grote, diepe rust. Het is precies hetzelfde gelaat als tevoren; er is geen verandering te bespeuren; er is geen verschil tussen Jezus levend met de levenden en als dood met de doden.

Jezus staat onverschillig ten opzichte van leven en dood. Leven of dood, het maakt geen verschil voor Hem. Hij leeft temidden van de levenden als een dode en Hij leeft temidden van de doden als een levende. Dat is Jezus op de Paasochtend! Vrede! "Vrede zij u" (Lc 24,36; vgl. Joh 20,20.21.26). Dat is de vrede van God, een vrede die de wereld niet begrijpen kan. "Vrede laat Ik u na; mijn vrede geeft Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u" (Joh 14,27). Te midden van de ontreddering van de mensen om Hem heen en zijn eigen ontreddering zag de vader het gelaat van Jezus, het gelaat van God, vol vrede en rust.

Die vrede en rust hebben de mensen ook gezien op het gelaat van zuster Benedicta, in de wereld genoemd Edith Stein, toen ze in Westerbork aankwam, het doorgangskamp op weg naar de vernietiging in Auschwitz. Ze wist wat er ging gebeuren, zoals die andere gevangenen die het misschien niet wisten, maar het wel vermoeden. Van die rust en vrede die zij uitstraalde bestaat een ooggetuigenverslag. Een Jood uit Keulen, die het geluk had aan de deportatie te ontsnappen, vertelt tot ons geluk: 'Onder de gevangenen die op vijf augustus binnengebracht werden in Westerbork, viel zuster Benedicta op door haar grote rust en gelatenheid. Ze viel op, omdat zij zo heel anders was dan de anderen, want de ellende in het kamp en de opwinding bij de pas binnengekomen gevangenen was onbeschrijfelijk. Maar zuster Benedicta was niet alleen zelf rustig en gelaten, ze deelde die rust en gelatenheid ook uit. Ze ging onder de vrouwen rond, troostend, helpend, geruststellend als een engel. Want de moeders, de waanzin nabij, hadden zich al dagenlang niets meer aan hun kinderen gelegen laten liggen. Ze staarden in diepe, doffe vertwijfeling voor zich uit. Zuster Benedicta trok zich onmiddellijk het lot van de kleintjes aan, ze zorgde voor voedsel en verzorgde hen, en zo lang zij in het kamp verbleef, een paar dagen, ontwikkelde zij met wassen en poetsen een drukke liefdesactiviteit, zodat allen er verbaasd over stonden. Zij die in huishoudelijke dingen zo onbeholpen was, ontplooide in het kamp een verbazingwekkende activiteit. Leven, maar het leven van hier en nu, van poetsen en boenen, maar bezield met het leven van de andere wereld, van een engel.'

Die vrede is nu precies wat wij mensen mogen geven, dat is wat mensen van ons mogen verwachten, ja, zelfs van ons móeten krijgen. Paulus zegt daarvan: die edelmoedigheid die jullie kunnen opbrengen vanwege Jezus, die om ons arm geworden is, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede en daarvan kunnen uitdelen. Niet rijk aan geldelijke middelen, maar aan het grote goed: de schat van het nieuwe leven in ons hart, het leven van de liefde.

Hoe kom je nu zover? Door te doen wat die vader gedaan heeft: "opzien naar Hem die ze hebben doorstoken" (Joh 19,37). Opzien naar het gelaat van Jezus aan het kruis. De afdruk van dat gelaat hebben wij in de lijkwade van Turijn. Het nieuwe wat op dat doek ligt, is de rust die de vader in ogenschouw nam vóór en na dat verpletterende bericht over de dood van zijn dochtertje. Jezus is de overwinnaar van het laatste, ergste kwaad van de zonde: de dood. Zie, "Ik heb de wereld overwonnen" (Joh 16,33).
Laat Hij nu weer opnieuw de wereld overwinnen in uw eigen hart, door, wanneer u doodsbang bent, of doodsbericht in u voelt, of vernietigingsdrang om anderen dood te maken, op te kijken naar het gelaat van Hem die wij hebben doorstoken.