13e zondag door het jaar B - 2009

'Alles ter wereld dient om het leven in stand te houden. In geen enkel schepsel ligt de kiem van de dood, en het dodenrijk kan op aarde geen rechten doen gelden.'

Zusters en broeders, deze woorden uit de eerste lezing van het boek 'Wijsheid' klinken erg mooi en erg idealistisch. De vraag is maar of ze ook beantwoorden aan de manier waarop wij het leven ervaren. Die ervaring leert ons dat helemaal niet alles in deze wereld dient om het leven in stand te houden, en ze leert ons ook dat elk leven de dood in zich draagt. Toets die mooie woorden maar eens aan mensen die zwaar gehandicapt of ongeneeslijk ziek zijn, aan de miljarden armen die geen kans krijgen om te leven, laat staan van het leven te genieten, aan de honderdduizenden kinderen in de riolen en op de vuilnisbelten van de grote wereldsteden, aan de slachtoffers van onrecht, ziekte, geweld en terrorisme. En toets die woorden gerust ook aan ons eigen leven: we weten maar al te goed dat we allen te maken krijgen, of misschien op dit eigenste moment te maken hebben met de donkere, de pijnlijke zijden van het leven.

Nee, zulke idealistische woorden zijn niet direct ons ding. We moeten ziekte en dood, onrecht, aftakeling, terrorisme, zelfmoord enzovoort niet onder de mat vegen. Het leven is niet alleen rozengeur en maneschijn, en de wereld is geen aards paradijs, geen hemel op aarde. Perfectie is heel ver weg, en dat moeten we gewoon erkennen, anders lopen we met onze kop tegen de muur en worden we doodongelukkig. Veel beter is de onvolmaaktheid recht in de ogen te zien en ertegen in te gaan. Zoals die vrouw in het evangelie. Al twaalf jaar lijdt ze aan baarmoederbloeding, alle dokters en specialisten heeft ze geraadpleegd, haar hele vermogen heeft ze aan de ziekte besteed, en het is er alleen maar erger op geworden. Toch geeft ze het niet op, en gelooft ze zelfs in het onmogelijke: als ze nog maar de zoom van Jezus' kleed kan aanraken, zal ze genezen zijn. Dat denkt ze toch, en het is nog waar ook. Of neem Jaïrus. Ook hij pleit voor iets wat menselijk gezien onmogelijk is: zijn dochtertje kan elk ogenblijk sterven, en toch vraagt hij aan Jezus haar de handen op te leggen opdat ze zou genezen. Maar terwijl hij het vraagt, sterft het kind. De onvolmaaktheid heeft dus gezegevierd.

'Niet waar', antwoordt Jezus, en tegen de vrouw met de bloeding zegt Hij: 'Dochter, uw geloof heeft u genezen', en tegen Jaïrus zegt Hij: 'Wees niet bang, maar blijf geloven.' Geloven is dus het kernwoord. Geloven in de God van Jezus, die Hij Vader noemt, en die sterker is dan de dood. Door geloof ontstaat er hoop, en die hoop wordt zekerheid naarmate ons geloof sterker wordt. Lijden en dood hebben dan niet het laatste woord. Omdat we durven geloven in onze God die leven is. En als we geloven, moeten we ook niet bang zijn om hulp te vragen. Zoals die vrouw en Jaïrus dus. 'Vraag en gij zult verkrijgen, klop en er zal u worden opengedaan', zegt Jezus op een andere plaats. Als we niets vragen, kunnen we ook niets krijgen. We moeten God de kans geven in te grijpen in ons leven. Nee, Hij zal het kwade, de ziekte en de ellende niet van ons wegnemen, maar Hij zal ons de kracht geven om om te gaan met het leven zoals het is, in geluk én in pijn. En misschien zal Hij wél direct ingrijpen in ons leven. Je kent de duizenden ex-voto's, de bedankingen voor een genezing, voor een gunst die mensen hebben gekregen. Ze hangen massaal in kapelletjes en op bedevaartplaatsen. Ze werden er opgehangen door mensen die tot God hebben gebeden, die hebben gevraagd, die bij Hem hebben gesmeekt, vol vertrouwen, en God heeft iets gedaan in hun leven, iets wat ze als een weldaad hebben ervaren.

Zusters en broeders, misschien moeten we meer een kind van God durven zijn. Een kind van de God van Jezus, die onze Vader en Moeder is, en die ons bij de hand houdt in goede en in kwade dagen. Een Vader en een Moeder aan wie we iets mogen vragen. Misschien moeten we ons gewoon veilig voelen bij Hem. Amen.