Alleen maar geloven (2006)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 121 niet laden

In deze tijd na Pinksteren en na Sacramentsdag biedt de Liturgie ons opnieuw enkele zeer uiteenlopende wonderverhalen: vorige week stilde Jezus de storm op het meer; vandaag geneest Hij en wekt Hij op tot leven. Deze twee zo juist beluisterde verhalen zitten in elkaar verweven. Het is een dubbelverhaal. We lezen het bij Marcus, maar ook bij Mattheus en Lucas.
- We leven in een tijd vol tegenstellingen: er is vandaag een stroming waarbij vanuit een rationalistisch vooroordeel de echtheid van Jezus' wonderen in twijfel wordt getrokken; daarnaast schrijft de Nederlandse theologe Anne-Marie Korte hoe de belangstelling voor het wonderbare in deze tijd opvallend weer toeneemt ( TvT 2005, 4).
- Jezus moest geenszins wonderen verrichten om voor zijn tijdgenoten zijn Messiasschap te bewijzen. De Farizeeën hadden van de Messias alleen een politieke reus verwacht, een nationale held, niet een genezer. Zij keken vaak met minachting neer op genezers die vooral buiten Judea circuleerden: "zij die de wet niet kennen" (Joh. 7,49). Als Jezus die toch deed, waren het tekenen die verwezen naar de inhoud van de boodschap die hij bracht, en naar de persoon die Hij was.

1. Jezus is nu terug in Kafarnaüm. Daar had Hij reeds om zijn tekenen bekendheid verworven: de genezing van de schoonmoeder van Petrus, de genezing van de lamme, de genezing van de knecht van de honderdman... Hij wordt omgestoeid door een nieuwsgierige menigte.
- Het gaat vandaag om twee vrouwenfiguren. De ene is een miseriemens. Ze lijdt twaalf jaar onafgebroken aan bloedvloeiing, die haar fysisch heeft uitgeput. Ze draagt al die tijd geen leven in zich, is voor de Joodse gemeenschap onrein en daardoor gemarginaliseerd. Elk contact van haar of met haar is taboe (Lev. 15,25). - De andere is een meisje van twaalf jaar. Het heeft zolang het gezonde leven gehad, als die vrouw buiten het gezonde leven stond. Twaalf is het symbool van de tijd van de vervulling. Het Godsvolk is in het vooruitzicht van Gods belofte van meet af met die twaalf getekend geweest. Betekenisvol bleven na de eerste broodvermenigvuldiging juist twaalf volle korven over. Nieuwe toekomst is geboren.
- Die eerste vrouw is beschaamd, verbergt zich in de menigte, verdwijnt letterlijk in de massa. - De vader van het meisje, Jaïrus, is de gereputeerde overste van de synagoge. Met gezag en aanzien beweegt hij zich door het volk, en wordt zichtbaar erdoor tot aan zijn huis omringd.

2. Deze twee verhalen vormen een contrast en toch ook weer een eenheid. Wat gebeurt er ?
- Die arme vrouw raakt Jezus aan bij de zoom van zijn kleed. Spontaan. Zij neemt het initiatief. Het is haar laatste kans om te genezen. Maar aanraken mag ze niet. Ze hoopt op een anoniem mirakel dat ze in het geniep aan Jezus wil ontfutselen. Een kracht verlaat Jezus. Jezus heeft het gevoeld, maar merkt de vrouw niet op. In deze drummende toeloop raakt iedereen iedereen aan. De vrouw duikt onder en verbergt zich, maar wordt ontmaskerd. Jezus zegt: "Uw geloof heeft u gered". Jezus kwam redden wat verloren was. - Het geloof van die vrouw was nog onvolwassen en onzuiver, bijna magisch getekend. Het doet me denken aan de vele eenvoudige vromen van bij ons, die in Lourdes de grot betasten, of die met veel devotie een beeld aanraken en kussen. Doch onder dit gebaar steekt geloof, hoe onvolwassen ook. Een plotse geloofsbewogenheid kan Jezus' kracht ontketenen. Dat korreltje geloof was voldoende om de vonk te laten overspringen.
- In de woning van Jaïrus echter wordt Jezus eerst met ongeloof geconfronteerd. Men lacht Hem uit. Jezus moet de overste van de synagoge aanporren om te blijven geloven: "Vrees niet, ga gewoon geloven." Jezus zelf neemt het initiatief, raakt het meisje aan, neemt het bij de hand, en richt het op: "Meisje, Ik zeg je: sta op." Ik denk hier meteen aan het beroemde fresco van Michel-Angelo, waar Gods hand het leven doorgeeft aan de mens, of aan de tekst van Jesaja: " Ik ben je God, Ik neem je bij de rechterhand; Ik zeg je: vrees niet; Ik kom je te hulp." (Jes. 41,13)

* In dat dubbelverhaal steekt een crescendo: van de genezing van een zieke naar de opwekking van wie net overleden was. Beiden werden gered door de kracht van Jezus, die vrijkomt in de openheid van het geloof. Jezus herhaalde het steeds dat Hij geloof nodig had. Ongeloof blokkeert. Daarom zal Jezus in Nazareth weinig wonderen doen. Misschien moest de grote Jaïrus met zijn gezelschap nog in de leer gaan bij het naamloze vrouwtje. In dat centrale verhaal ligt de sleutel. Het onwankelbare geloof vinden we vaak het meest bij kleinen. Deze zijn groot in het evangelie.
* Doch het juiste geloof in Jezus moest beschermd worden. Zijn tekenen moesten eerst nog in hun ware betekenis worden verstaan. Vandaar dit zwijggebod: "Hij legde hun nadrukkelijk op, dat niemand het te weten mocht komen." - En toch moesten drie getuigen erbij aanwezig zijn: Petrus, Jacobus en Johannes, dezelfden die zijn gedaanteverandering en ook zijn doodstrijd zouden meemaken. Eens immers ging men Jezus' daden wel moeten verkondigen. De apostelen zeiden later: "Wij kunnen niet zwijgen." (Hand. 4,20) Vandaag is er geen spreekverbod meer. Maar het is alsof wij vandaag niet meer kunnen spreken, alsof wij verstomd zijn, alsof wij vrezen tot geloof te komen, bang zijn om met een vreugdevol geloof te vertellen wat Jezus heeft gedaan.