13e zondag door het jaar (2006)

Als je in Rome de catacomben aan de Via Appia bezoekt, dan zie je daar allerlei sporen van de jonge kerk
van de eerste eeuwen. Ik vind dat heel aangrijpend.
Je staat daar bij de bronnen van de christelijke spiritualiteit.
En wat opvalt, is dat er veel afbeeldingen te vinden zijn van Jezus als de Goede Herder. Je ziet hem op de plafonds geschilderd, gegrift in grafstenen en gebeeldhouwd op sarcofagen. En het lam dat rust op zijn schouders en dat hij veilig vasthoudt, dat zijn wij.
De Goede Herder was voor de gelovigen toen misschien wel wat voor ons later het kruisbeeld is geworden:
hét teken van de liefde van Christus voor ons mensen.
Dit beeld moet heel wat christenen van de eerste eeuwen
hebben bemoedigd.
Toch was het geen christelijke uitvinding.
De oude Egyptenaren en de Grieken kenden godenzonen
die goede herders waren. Ook koningen werden in die dagen zo genoemd. Zij moesten hun volk leiden en hoeden en beschermen tegen vijanden. Soms waren ze betrouwbaar en hadden ze alles over voor hun volk. Met mededogen zagen ze om naar de arme en de kleine. Maar er waren ook ontrouwe herders, die het niet om de kudde ging, maar om macht en eigen gewin. Bij hen was het volk onbeschermd en aan de wolven overgeleverd. En wee dan de arme en de weerloze.
Van oudsher was Herder ook een naam voor God, die zijn volk behoedt en bewaart. We hebben daarover net die prachtige psalm 23 gezongen: Mijn Herder is de Heer, het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Maar de jonge kerk gaf de titel van Goede Herder ook heel bewust aan Jezus, want Hij is voor hen Gods aanwezigheid. Hij is zijn Woord, zijn stem, Herder en hoeder in Gods Naam, weg ten leven.
Iedere mens is in zijn leven nu eenmaal op zoek naar richting en naar een eigen identiteit. Wie ben ik en wat is mijn bestemming? Welke weg heb ik te gaan?
Dat gevoel voor richting is wezenlijk voor mijn levensloop.
Waar de richting ontbreekt, word ik stuurloos
en afhankelijk van allerlei toevallige impulsen.
De bijbelboeken staan niet voor niets vol roepingsverhalen. Het woord "roepen" komt maar liefst 730 keer voor. En deze zondag na Pasen kennen wij als roepingenzondag.
Nu hebt u geleerd om bij roeping allereerst te denken aan priesters, zusters, missionarissen, in ieder geval aan een kleine groep mensen, bijna heilig en bereid tot grote offers.
Zo zal ook deze zondag nog altijd wel bedoeld zijn.
Maar in de Schriftverhalen is roeping een religieuze ervaring die iederéén kan overkomen, man of vrouw, jong of oud.
Ieder mens is geroepen om Jezus als Herder te volgen
en een stukje van God te laten zien. Zonder jouw deel ontbreekt er iets van God in de wereld.
Je bent geroepen om op jouw manier bij te dragen aan het wonen van God in de wereld en zo je bestemming te vinden.
Nu is het een hele kunst om tussen alle stemmen die je
elke dag toeroepen, het roepen van God te horen en te ontdekken wat jouw eigen roeping, jouw bestemming is.
Daarvoor moet je stil worden, je afstemmen op Hem.
Echt luisteren is ten diepste een vorm van liefhebben.
Je hart gaat uit naar de Ander.
Je kiest voor die ander, bent die ander toegewijd.
Ik ken de Vader en de Vader kent Mij, zegt Jezus.
Alleen zo word je attent voor de diepte van de werkelijkheid en ontdek je: die kant moet het uit met mijn leven.
Die roeping komt natuurlijk niet uit de lucht vallen.
In de praktijk is dit een geleidelijk proces van bewustwording. Je roeping en je richting wordt al doende
en gaandeweg gevonden. En daarin word je zelf gevonden:
je ontdekt wie je bent en wat je wilt gaan doen.
Niemand wordt gevraagd iemand ánders te worden
dan wie hij in wezen is. Ik mag juist meer mijzelf worden.
Ik mag komen tot het geheim van mijn eigen leven,
mijn diepste bestemming.
Het betekent wel dat je je dagelijkse bestaan open durft te laten breken, dat je je veilige bestaan niet langer meer beschermt, maar open staat voor wat er op je af komt.
En die weg ga je dan.
Om te kunnen doen waartoe je geroepen bent heb je wel dagelijks contact nodig met Degene die je roept.
Hij is het die je de kracht geeft die je gaande houdt.
Want er is ook wel degelijk een tegenkracht:
de twijfel, de verstrooiing je egoïsme, de troubles in de parochie, de wolf die ons uiteen kan drijven, de houding van mensen die vrolijk aan elke roeping voorbij leven.
En soms hoor je ook werkelijk even niets meer van die Stem,
of je kunt hem niet hóren vanwege de ellende in je leven,
het onrecht en de rampen in de wereld. Je neemt een time-out ten opzichte van God. Ook dat kom je in de Schriftverhalen in alle toonaarden tegen. De roepstem komt nu eenmaal uit een andere wereld dan die van het ego,
dat zelf de weg wil uitstippelen.
Maar de roepingsverhalen vertellen ook: als je géén gehoor geeft aan de Stem, dan vind je jezelf en je bestemming niet.
Als je niet ingaat op de roep, niet luistert naar die stem in je binnenste, dan verlies je je ziel en word je niet gelukkig.
Roeping is dagelijks luisteren en denken:
ik weet misschien niet eens wat de dag van morgen brengt, wat ik moet doen. Maar toch kan niets mij ervan weerhouden om vanuit God in mijn ziel te leven. Hij is mijn eerste liefde en mijn diepste vreugde. Voor Hem wil ik gaan.
En Goddank sta ik niet alleen. Er zijn reisgenoten, lotgenoten, medeparochianen en vooral medeménsen
die het de moeite waard vinden om het verhaal van God
met ons levend te houden en hun deel van God in de wereld te laten zien.
Wat dat betreft is Jezus voor ons een betrouwbare Herder.
Hij is voor de kudde degene die verder kan kijken dan de schapen. Hij ziet het grote verband. Voor Hem is de levenstocht een doelgerichte reis en niet het ingaan op toevallige impulsen, een hollen van het ene naar het andere succes, van de ene naar de andere honger. Zijn Evangelie is een veilige weg.
Maar al te gemakkelijk ga je met velen denken: "wie dan leeft wie dan zorgt". Is er winst te halen uit kernenergie?, Dan proberen we dat toch? Wordt het klimaat warmer?, Och, dat zien we dan wel weer. We wanen ons gelukkig met dingen die snel voordeel beloven. En die bepalen dan vervolgens de gang van de geschiedenis. Aan veel ontwikkelingen ligt geen enkele principiële keuze ten grondslag. In dat opzicht lijken ook postmoderne mensen nog gewoon op een kudde schapen.
Wie we nodig hebben is iemand die een veel wijdere horizon heeft, die de tocht op veel langere termijn kan uitzetten. Jezus, die zegt: Ik ben, Ik ben die Goede Herder.
Hij kent God, zegt Hij, Hij is met Hem vertrouwd.
Hij kent ook ons. En zijn diepste verlangen is dat deze God van mededogen weer in ons en onder ons mag leven.
Dat ook wij één zijn met Hem zoals Jezus dat is;
en dat ook wij vol mededogen met elkaar omgaan.
Het gaat Hem om een heel nieuwe manier van leven,
een nieuwe mentaliteit. En het kompas dat Hij ons geeft is dit: laat niet eigenbelang en de korte termijn jou richting bepalen, maar let op het belang van de ander,
en speciaal van de zwakste.
"Jezus is onze herder" wil zeggen dat wij samen met Hem genieten van het leven dat ons geschonken is,
maar ons ook bezig houden met de wereld van overmorgen, en dat we omzien naar elkaar.
Een gelovige mens is iemand die samen met Hem in Gods Naam herder en hoeder is van allen die slachtoffer zijn.
Het is een mens met Goddelijk mededogen, die zich verantwoordelijk voelt voor zijn broeder en zuster.
Hij geniet van vrede en menselijkheid, maar vraagt zich tegelijk af of die ander ook te leven heeft en vrede kent.
Bij hem zijn de kwetsbare mensen veilig en geborgen.
Rondom Jezus is er zo een prachtige beweging ontstaan,
waar het ánders aan toe gaat en waar de belangrijkste wet de wet is van de liefdevolle ontferming.
Voor die visie heeft Hij zijn leven over gehad.
En wij, wij mogen eigenlijk ontzettend trots zijn dat wij naar zo ‘n schitterende mens genoemd zijn.
Dat Hij met recht een Goede Herder.