13e zondag door het jaar B - 2018

‘God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid, als afspiegeling van zijn eigen wezen.’

Zusters en broeders, dat hoorden we in de eerste lezing, en die lezing komt uit het boek Wijsheid. We hebben daar zeker onze vragen wij, want zo onsterfelijk zijn we nu ook weer niet. Maar als we goed luisteren naar het evangelie, krijgen we een antwoord op onze vragen.

Het begint met de vrouw die al twaalf jaar bloed verliest. Haar hele vermogen heeft ze aan dokters uitgegeven, maar het werd alleen maar erger. Dat heeft tot gevolg dat ze geen normaal leven kan leiden. In de joodse wet van die tijd mag immers niemand een bloedende vrouw aanraken. Ze zal dus nooit een man en kinderen hebben. Eigenlijk bestaat ze niet eens, is ze dood. Maar hoe groot haar wanhoop ook is, ze geeft niet op. Ze wringt zich door de massa en raakt in het geniep Jezus’ mantel aan. Ze heeft dus haar angst overwonnen, en dankzij haar geloof geneest ze. Dat is ook wat Jezus beklemtoont: ‘Uw geloof heeft u genezen’, zegt Hij. ‘Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.’ En als ze verlost is van haar kwaal, is ze niet langer dood, maar leeft ze echt, dankzij haar geloof.

Dan is er Jaïrus. Als overste van de synagoge is hij een farizeeër, dus een tegenstander van Jezus. Want als farizeeër is hij een strenge man van de wet, en dat is Jezus niet. Maar zoals de vrouw haar angst overwint, zo overwint Jaïrus zijn oordeel en zijn vooroordeel, en beroept hij zich op Jezus. En dan doet zich iets heel merkwaardigs voor: zijn huisgenoten zeggen dat zijn dochtertje al gestorven is, dus moet hij Jezus, die ze uitdrukkelijk de Meester noemen, niet meer lastig vallen. Daarop zegt Jezus: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ En Hij doet het meisje opstaan uit haar slaap.

‘Uw geloof heeft u genezen’, zegt Jezus tegen de vrouw. En tegen Jaïrus zegt Hij: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ Dat zegt Hij ook tegen ons. Als we ons tot Hem wenden, zegt Hij ook tegen ons dat we niet moeten wanhopen, wat er ook gebeurt. En er is zoveel miserie in de wereld. Miserie die we elke dag zien op de tevee en lezen in de krant. Zoveel geweld, zoveel ellende, zoveel hardheid. Zoveel leugen en bedrog, zoveel vernietiging, zoveel vervuiling. Zoveel egoïsme, zoveel onverschilligheid, zoveel eigenbelang. En er is niet alleen de miserie om ons heen, maar ook de miserie die we soms zelf moeten ondergaan. De miserie van tegenslag op het werk, in onze onderneming, in onze vereniging. De miserie van ongeluk, van zware ziekte, van kanker, van misgeboorte, van zwakheid, van dood. De miserie van problemen in ons gezin, met onze partner, met onze kinderen en kleinkinderen, met onze ouders. De miserie van geen uitweg meer te zien. De miserie van even wanhopig te zijn als die vrouw met haar onstelpbaar bloedverlies, en Jaïrus met zijn dochtertje dat gestorven lijkt te zijn. Maar ze geven het niet op. Allebei hebben ze de moed om Jezus lastig te vallen, en hun geloof heeft hen allebei gered. Ze leven.

Dat is precies wat we in de eerste lezing hoorden: God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid, maar de mens moet wel geloven in God en in Jezus. Zoals die vrouw en zoals Jaïrus. Wanneer Jezus bij het graf van Lazarus staat, zegt Hij tegen diens zus Marta: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven.’ En Hij vraagt uitdrukkelijk aan Mara: ‘Gelooft gij dit?’ En zij antwoordt: ‘Ja, Heer, ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon van God.’ Het is door dat geloof dat Lazarus uit de dood wordt opgewekt. Had Marta niet geloofd, dan was haar broer niet opgewekt.

Zusters en broeders, God heeft ons niet voor de dood, maar voor het leven geschapen. Voor onsterfelijk leven, in de palm van zijn hand, naar zijn beeld en gelijkenis. Leven voor tijd en eeuwigheid, door ons geloof in God en Jezus, die is de verrijzenis en het leven. Amen.