Kom mij niet aan met mooie woorden (2006)

Kom mij niet aan met mooie woorden
zeg niet dat lijden een zin heeft, een doel!
Als de afgrond zich opent en nergens houvast is
troost mij dan niet met andermans pijn
kom mij niet aan met schoonheid en zon.

Dat zijn een paar regels uit het gedicht waarmee ons nieuwe parochieblad opent. Ze geven aan hoe voorzichtig men moet zijn, wanneer men spreekt met mensen die de dood van nabij hebben meegemaakt, de dood van een geliefde of een nabij iemand. Dat men ze zeker niet kan troosten met beschouwingen over een beter leven in het hiernamaals, een eeuwig leven in de hemel.
Nee, wij, mensen, wij willen leven. Wij hebben moeite met de dood. Wij willen de dood niet. Wij zijn er bang voor.

Kom mij niet aan met mooie woorden...
Je zou het bijna zeggen tegen de schrijver van het boek van de Spreuken, uit de eerste lezing, die het zo mooi kan zeggen: "God heeft de dood niet gemaakt... Hij heeft alles geschapen om te leven". Mooie woorden, maar wanneer ik geconfronteerd word met lijden en door, wanneer ik in het aanschijn van de dood sta, kan ik er niets mee.
Voor het aanschijn van de dood word je opeens stil, word je opeens bang. Nee, het blijft moeilijk om te spreken over lijden of dood

Wanneer de dood opeens heel nabij komt, dan verlies je je zelfbewustzijn, je status van hoofd van de synagoge, de meest aanzienlijke van het dorp. Dan ben je ten einde raad. Dan baan je je met je ellebogen een weg door de mensenmenigte, dan kniel je neer, voor een Joodse rabbijn, en smeek je met tranen in je ogen: "Mijn dochtertje ligt op sterven. Kom haar toch de handen opleggen"... Indrukwekkend hoe deze man, ondanks zijn hoge functie, zich ten overstaan van alle mensen die hem alleen vanuit die hoge functie kennen, zich bijna huilend op de grond gooit.
Zijn onmacht in het aanschijn van de naderende dood spreekt hij uit. Hij kan het niet aan. Het mysterie van de dood overrompelt hem. Hij kan het niet aan, laat staan, het begrijpen.

En dan die vrouw. Al twaalf jaren lang geplaagd door lijden dat niet voorbijgaat. Een hopeloos medisch geval. Bloedingen die niet te stoppen zijn. En dat betekent niet alleen dat ze van de ene dokter naar de andere loopt, maar dat betekent ook, dat ze volgens de wet van Mozes onrein is, ritueel onrein, dus onaanraakbaar, niet aangeraakt mag worden en niemand mag aanraken, dat ze sociaal en religieus uitgesloten is uit de samenleving.

Wat moet Jaïrus, de orthodoxe Jood, wel gedacht hebben, toen die onaanraakbare vrouw zich, net als hij, voor Jezus op de grond wierp, en Jezus aanraakte? Dat was een ersntige overtreding. Maar gesterkt zal Jaïrus zeker geweest zijn, door het antwoord van Jezus: "Vrouw, je vertrouwen heeft je gered". En daarmee kreeg ook hij het antwoord op zijn vraag: je hebt niet te maken met een wonderdokter, een mirakelman, een paranormale gebedsgenezer, nee, hier staat iemand die met je meetrekt, en die het antwoord in de mens zélf zoekt. Jaïrus en de vrouw hebben het leven weer hervonden dank zij hun eigen vertrouwen. Jaïrus heeft zélf het initiatief genomen. De vrouw heeft zélf het initiatief genomen. Jezus tilt het dochterje van Jaïrus niet op: Hij zegt haar zélf op te staan.

Jaïrus, de overste van de synagoge, die oog in oog staat met de dood, de bloedvloeiende vrouw, die een jarenlang lijden moet ondergaan van medische wanhoop en rituele uitsluiting, het zijn twee figuren van mensen die dood en lijden tegemoet moeten treden, en geen boodschap hebben aan mooie woorden, want aan mooie woorden hebben ze niets. Ze ook niets hebben aan de mensen om hen heen. Want die hebben hen al afgeschreven. "Doe maar geen moeite meer, je dochtertje is dood" – "Doe maar geen moeite meer, die ziekte, daar zul je mee moeten leren leven". Dat zegt iedereen. Zelfs de omstanders lachen Jezus uit. In hun levenservaringen zijn ze beiden helemaal alleen. Maar ze zijn wél alleen met Jezus. Het evangelie van vandaag is een verhaal van mensen die zich niet laten wegglijden, van mensen die zelf op zoek gaan naar genezing, naar leven, naar opstanding. Jezus, Jaïrus en de vrouw zijn in het verhaal van vandaag de enigen die de vanzelfsprekendheid van lijden en dood niet accepteren.

Hoezeer herkennen wij ons hierin, degenen onder ons die onlangs een sterfgeval hebben meegemaakt, degenen onder ons die verwikkeld zijn in een gevecht op leven en dood met een ziekte. Die voelen in heel hun wezen de onmacht ten overstaan van dood en lijden, die weten wat het is te worstelen met de wel meest ingrijpende levensvraag. Die hebben in ieder geval geen behoefte aan mooie woorden. Maar wél behoefte aan iemand, iemand die met hen meegaat, iemand die "mede-lijdt", zoals het gedicht in ons parochieblad het verwoordt:

... waak met mij in de grot van de smart
begrijp de volle omvang van mijn klacht
kleineer mij niet, laat mij mijn waardigheid.
Wie weet – in de nacht, tussen jou en mij
roert zich een kracht die geneest.