13e zondag door het jaar B - 2012

‘Niet God heeft de dood gemaakt en Hij schept geen behagen in de ondergang van de levenden. Hij heeft alles geschapen om te leven: gezond zijn de schepselen van de aarde, geen dodelijk vergif wordt in hen gevonden.’

Zusters en broeders, deze woorden uit de eerste lezing klinken heel erg optimistisch. We weten evenwel maar al te goed dat niet alle schepselen op deze aarde gezond geboren worden, en dat er soms wel degelijk al van bij de geboorte dodelijk vergif in hen wordt gevonden. De voorbije week nog treurden mijn collega’s-gidsen en ikzelf mee om het overlijden van een kindje van drie dat van bij zijn geboorte een zorgenkindje was geweest. Maar we weten ook dat de mens  in veruit de meeste gevallen zelf de oorzaak is van het dodelijk gif waarvan sprake in de lezing. Gif dat het lichaam aantast, door roken, door druggebruik, door overmatig eten en drinken, door milieuvervuiling, door de ziekelijke haast waarmee we dit leven leiden. In andere werelddelen is er het gif van de armoede, de ondervoeding, het gebrek aan hygiëne, de vuilnisbelt  waarop mensen dikwijls moeten leven. En naast het gif dat de mens lichamelijk aantast, is er nog het dodelijke gif dat zijn geest vernietigt. Fanatisme dat tot zelfmoordterrorisme leidt, is de vreselijkste vorm ervan, maar ook afgunst, hoogmoed, haat, ontrouw, ruzie en rivaliteit vergiftigen het leven en leiden tot hopeloosheid, en tot een leven dat geen leven meer is.

In het evangelie zien we dat Jezus reageert op die hopeloosheid. De vrouw die al twaalf jaar aan menstruatiebloedingen lijdt, heeft veel te verduren gehad van allerlei kwakzalvers. Haar hele vermogen hebben ze haar gekost, en het enige wat ze eraan heeft overgehouden, is dat ze sociaal dood is. Wegens haar ziekte is ze immers onrein. Ze wordt dus, net als een melaatse, uit de gemeenschap gestoten. Ze mag niet eens zijn waar ze is in het verhaal, en ze mag zeker geen man aanraken. Ze doet het toch, en dan gebeurt het wonder, en het is een wonder met een dubbel gezicht: de vrouw is genezen, en tegelijk voelt Jezus dat er een kracht van Hem is uitgegaan. Waarom Hij dat voelt, zien we in wat Hij tegen de vrouw zegt: Hij zegt niet: ‘Ik heb u genezen’, maar wél: ‘Uw geloof heeft u genezen.’ Die genezende kracht is dus van Hem uitgegaan precies door het geloof van die vrouw.

Hetzelfde geloof vraagt Jezus van Jaïrus. Terwijl de man Jezus’ hulp komt vragen, wordt hem gemeld dat zijn dochtertje overleden is. En Jezus zegt: ‘Wees niet bang, maar blijf geloven.’ Dat doet Jaïrus, en zijn kind wordt opgewekt. Dat opwekkingsverhaal eindigt met een merkwaardig bevel: Jezus zegt dan ze het meisje te eten moeten geven. Het lijkt merkwaardig, maar het is het niet. Het is gewoon de vertaling van de opdracht die God bij de schepping aan de mens gaf: Hij doet zijn scheppingswerk, maar de zorg voor die schepping en de zorg voor het leven is onze verantwoordelijkheid. En die verantwoordelijkheid begint met de gewone dagelijkse dingen, zoals voor de kinderen zorgen bijvoorbeeld. Die zorg moet er zijn in alles wat we doen. Spijtig genoeg moeten we toegeven dat we daar niet altijd even goed in zijn. De manier waarop de mens met zijn evenmens en met het milieu omspringt, leert ons dat we dikwijls heel ver verwijderd zijn van de zorg die op ons rust.

En daarmee zijn we terug bij het begin van deze homilie: ‘God heeft de mens geschapen voor de onsterfelijkheid. Maar door de afgunst van de duivel kwam de dood in de wereld.’ En die duivel, dat zijn  de fouten en de tekortkomingen van de mens zelf. Zij zorgen voor het dodelijke gif dat het leven en de schepping aantast. Daartegenover stelt Jezus geloof en zorg. ‘Wees niet bang, maar blijf geloven’, zegt Hij. En ook: ‘Draag zorg voor het leven en voor de schepping.’

Zusters en broeders, de zomervakantie is begonnen, en dat is een tijd waarin het leven een beetje trager vloeit. Wel, laten we van die traagheid gebruikmaken om te leven zoals God, zoals Christus dat van ons verlangt. Met geloof en met zorg. Amen.