God komt wonen temidden van zijn mensenvolk (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 538 niet laden
De Advent is bij uitstek de tijd van verwachten, en van verlangen. We zien uit naar wat nog moet komen. Dat is een kunst. Het is ons mensen namelijk eigen om vast te willen pakken, te hébben, vast te houden (noli me tangere), zeker te weten.

David wil zo graag zekerheid, en met de bouw van een tempel in Jeruzalem kan hij aan zichzelf, aan zijn onderdanen en andere landen laten zien dat God hem dit land nu definitief heeft geschonken, dat hij voortaan Gods koning van Israël zal zijn en blijven. David wil een God zo vast als een huis.

Waar koningen vast op hun troon komen te zitten, zijn er in de Schrift de profeten om weerwoord te geven, om de koning op het rechte spoor te houden en voor corruptie te behoeden én om zonodig voor het volk op te komen. In eerste instantie geeft de profeet Natan het groene licht omdat David juist God zijn plek wil geven maar in tweede instantie komt hij hier op terug en spreekt hij namens God: 'Ik heb nooit in een huis gewoond sinds de tijd dat Ik de Israëlieten uit Egypte heb geleid tot op de dag van vandaag; steeds ben Ik mee getrokken in een tent, waarin Ik verbleef.' De God van Israël is niet zo vast als een huis, niet in een hokje te stoppen of vast te pinnen, maar eerder als een tent, als Een die meetrekt, en zegt: 'Ga maar, durf vertrouwen dat Ik met je mee ga.'

Ik herinner me onze oudste dochter, toen ze thuis in Leiden waar we toen woonden, de wereld ging verkennen. Ze keek naar ons, kroop een stukje de kamer in, keek weer om, ja, mama en papa zijn er, ze kijken naar je, houden je in de gaten. Ga maar, het mag gerust, het is veilig. En daar ging ze weer, weer een halve meter. Het is de enige manier om verder te komen in het leven: door te gáán.

Maar het antwoord dat de profeet in Gods naam geeft, stopt hier niet. God zal het huis van David bouwen, en in eeuwigheid niet van dit huis wijken. Het zal standhouden in eeuwigheid. God zal zijn zoon doen opstaan en hoog verheffen, en zijn koninklijke macht instandhouden. 'Jouw zoon zal een huis bouwen ter ere van mijn naam, en Ik zal zijn koninklijke macht instandhouden.' Deze belofte over Davids zoon is ongetwijfeld waar geworden in zijn letterlijke zoon Salomo, die wel een huis voor de Her heeft gebouwd, de tempel van Jeruzalem. Tegelijkertijd is in deze zoon van David de eeuwen door ook de Messias verwacht. Met de Messias, de zoon van David, moet ook komen het messiaanse rijk van vrede en gerechtigheid. Die hoop verbindt joden en christenen tot op de dag van vandaag. Het enige verschil is dat christenen daarbij exclusief naar Jezus kijken, en in hem herkennen dat dit rijk al begonnen is, dat hij de weg gegaan is en ons de weg gewezen heeft, waarop Gods koninkrijk vervuld mag worden. Samen met de joden zien wij vol hoop, verlangen en verwachting uit naar die komst: geen passief afwachten, maar een actief openstaan. Ons huis op orde maken voor de komst van de Heer betekent daarbij niet alleen ons huis gezellig maken voor de Kerst, maar ook om ons heen kijken zoals Maria doet: zij gaat Elisabet helpen en bereidt zo de weg voor de Heer, het huis van de Heer. In navolging van haar naamgenote Mirjam, die de Heer samen met haar broers Mozes en Aäron liet opstaan om Israël te bevrijden, verkondigt deze Mirjam, Maria, Gods lof in haar lied van bevrijding, het Magnificat. Haar zoon zal de naam dragen 'God bevrijdt', Jehoshua - Jezus.


Dit zal gebeuren als de kracht van de Allerhoogste haar zal overdekken, een woord dat herinnert aan Gods aanwezigheid in de wolkkolom in de woestijn, hetzelfde woord dat op de berg Tabor aanduidt dat God zelf hier aanwezig komt.

Zoals de profeet Natan bij koning David komt en met hem spreekt namens God, zo is er nu een engel van de Heer, die haar zegt dat voor God niets onmogelijk is.

Hierop antwoordt zij: 'Ik ben de dienares van de Heer ...', zoals haar zoon Jezus later herkend zal worden als de Dienaar des Heren. Hier in Nazaret, als Maria voor de eerste keer ten tonele verschijnt, wordt voor de aandachtige luisteraar al zichtbaar dat zij die zijn moeder zal worden, de eerste is van wie hem zullen volgen als zijn leerlingen, zoals hij zelf zal zeggen: 'mijn moeder en mijn broers en zussen zijn zij die de wil van mijn Vader doen.' Zij is eerst en bovenal zijn moeder, omdat zij zijn weg gaat, de weg van de Heer.

'... Laat met mij gebeuren wat u gezegd hebt.' Ze staat open voor de stem van God. Op het schilderij van de Aankondiging hier in onze kerk, wordt Maria afgebeeld lezend in de Schrift. Het is de Geest die haar bevrucht, haar leven vruchtbaar maakt. Zij zal het Woord van God baren, omdat zij zich voor dit Woord heeft willen openstellen.

We zeggen wel: Je kunt maar geven naar de mate dat je hebt ontvangen. Welnu, Maria heeft het leven gegeven aan het Woord van God, niet door haar eigen verdienste, maar ze geeft wat ze eerst zelf heeft ontvangen. Ze heeft het Woord van God ontvangen, ze stond er voor open, het is in haar vruchtbaar gebleken, en ze heeft het doorgegeven aan de wereld.

Het is zoals Johannes in zijn evangelie 'kind van God' definieert: 'Niet langs de weg van het bloed, niet door de begeerte van het vlees, of door mannelijk streven, maar uit God (zijn ze) geboren.'

De Schrift vertelt ons in de lezingen vandaag op meerdere wijzen: God maakt een nieuw begin met de bevrijding van Israël en van alle mensen. Zien wij hier vol verlangen naar uit, vol hoop en verwachting, stellen wij ons er voor open en werken wij er aan mee, want God komt wonen temidden van zijn mensenvolk.