4e zondag van de advent (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 201 niet laden
Koning David woonde in een paleis, zo hoorden we in de eerste lezing, en hij vond dat ook God in een paleis moest wonen. Hij maakte plannen om een grote tempel te bouwen in plaats van de tent van het verbond, wat voor een God toch maar een schamel onderkomen was. De tijd van trekken door de woestijn was voorbij, en zoals de mensen hun tenten verruild hadden voor huizen, zo moest God ook een passend huis krijgen, een grote tempel.
Dat leek een heel lofwaardig plan te zijn, maar dan blijkt dat God er heel anders over dacht. Hij was er helemaal niet voor te vinden. God heeft nu eenmaal geen behoefte aan een stenen gebouw, Hij wil ook niet vast zitten zijn aan een bepaalde plaats, Hij wil altijd met de mensen meetrekken waar ze ook gaan, wat ze ook doen. Dat was de boodschap voor David, een boodschap voor alle tijden.
In de loop der eeuwen zijn de prachtigste kerken en kathedralen gebouwd, allemaal huizen van God, wordt er altijd gezegd, maar of God zich in al die geweldige gebouwen wel zo thuis voelt, is nog een hele grote vraag. Bovendien zijn al die prachtige middeleeuwse bouwwerken wel in naam gebouwd tot meerdere eer van God, maar in feite was dat minstens evenzeer tot meerdere glorie van de koningen en de bisschoppen, van mensen die juist als koning David zelf in riante huizen en paleizen woonden.
Die rijke kerken staken ook dikwijls heel schril af tegen de armoede van de mensen die er omheen woonden, terwijl het God toch altijd om mensen gaat en niet om gebouwen, en arme mensen komen bij hem altijd eerder dan rijke kerken en kerkleiders. In de Filippijnen woonde ergens een bisschop in een prachtig paleis. Om dat paleis stond een hoge muur en tegen die muur stonden de krotjes van de armen. Ik denk echter dat God zich in die krotjes meer thuis voelde dan in dat grote bisschoppelijke paleis.
God wil wonen in mensen en niet in gebouwen, Hij zit niet vast op een plaats, maar trekt met mensen mee. En heel de bijbel door vindt je eigenlijk dezelfde boodschap: God voelt zich niet thuis bij de rijken en machtigen, niet bij mensen die zichzelf zo vreselijk belangrijk vinden. Nee, God zoekt het vooral bij de kleine en zwakke mensen, mensen die in de grote wereld meestal niet aan bod komen. Dat zijn meestal degenen die hun hart openstellen voor God.
En toen God op een heel bijzondere manier onze wereld binnentrad, om als mens tussen de mensen te leven, toen zocht Hij zijn thuis niet in het paleis van de koning, niet in de rijke huizen van de joodse oudsten en priesters. Nee, Hij voelde zich meer thuis bij twee heel eenvoudige mensen: we kennen ze allemaal: een timmerman en zijn vrouw, twee gewone mensen die in de wereld van toen niets betekenden, woonachtig in een klein dorpje in een afgelegen provincie, een plek die van geen enkele betekenis was in het joodse land van toen. Maar daar zocht God zijn thuis.
Bij die twee mensen werd het kind geboren, de belichaming van Gods liefde, de Christus, de gezalfde. Daar liet Hij zich vinden door eenvoudige herders en wijzen uit het oosten. Bij hen voelde Hij zich thuis en zij mochten zich thuis voelen bij Hem.
Wij noemen ons christenen, volgelingen van die Christus, van die God-met-ons, zoals hij met kerstmis ook genoemd wordt. Maar zou God zich wel thuis voelen in ons? Woont hij echt in ons? Geven we hem daar de ruimte voor? Is Hij ook in ons, in onze manier van leven, te vinden? Hij zal alleen met ons meetrekken als we klein genoeg durven zijn, als we ons nooit verheven voelen boven anderen, als we ons nooit te groot vinden om ons dienstbaar te maken aan anderen, als we net als Maria kunnen zeggen: zie de dienstmaagd / de dienstknecht des Heren.
God houdt immers van gewone kleine mensen die in gewone kleine dingen aan andere gewone kleine mensen hun goedheid, Gods goedheid, uitdragen en gestalte geven. Als wij dat soort kleine mensen durven zijn, dan woont God in ons. Dan kan het licht en de vrede waar we met Kerstmis over zingen ook in en door ons daadwerkelijk gestalte krijgen.