2e zondag van de advent (2008)

×

Waarschuwing

JUser: :_load: Kan gebruiker met ID: 419 niet laden

Een bulldozer. Ik moet altijd aan een bulldozer denken, zo'n gele, met zo'n grote schepper voorop, als we horen, bij de profeet Jesaja: "Bereid de Heer een weg in de woestijn, in het dorre land, een rechte baan voor onze God. Elk dal moet worden opgehoogd, en elke berg en heuvel moet worden afgegraven; oneffen plekken moeten vlak gemaakt worden en ruige gronden worden een vlakte." Wegwerkzaamheden. In de bergen. De natuurbeschermers komen in aktie. Het landschap wordt geëgaliseerd en daarmee aangetast en verwoest.

Het is, dierbare gasten en parochianen van deze Vredeskerk; het is uiteraard maar een beeld en wel een beeld, zo denk ik, van wie wij als mensen stuk voor stuk zijn én van wat nodig is dat met ons gebeurt. En voor dat laatste vooral komen wij hier. Je komt hier niet voor niks. God wil wat met je doen. Hij vraagt wat van je en Hij wil invloed op je uitoefenen. Hij wil je veranderen. Hij wil je omvormen. Wij zijn "ruw materiaal". Op een bepáálde manier kom je de moederschoot uit, met bepáálde oren en ogen, een bepáálde neus en mond enzovoort. Je wordt in het bestaan geworpen. Je hebt een bepáálde moeder. Je hebt een bepáálde vader. Of je hebt die niet. Je kunt ook wees zijn, of half-wees. Er zijn ook kinderen die in een weeshuis of bij pleegouders opgroeien. En allemaal worden we geboren in een bepáálde cultuur, binnen bepáálde sociaal-economische omstandigheden. Je bent het kind van rijke mensen of van arme sloebers. Al die omstandigheden, het zijn er talloze, die werken in, op allerlei manieren, op dat "ruwe materiaal" van ons. En daardoor wordt bepaald hóe je opgroeit, hoe je in het leven komt te staan en hoe je er tegen aan kijkt.

Maar hier zijn we in de kerk en daar zou dus iets met ons moeten gebeuren. Jesaja zegt dat er een weg aan gelegd moet worden "in de woestijn, in het dorre land". Die woestijn, dat dorre land, zijn wijzelf. Dat zou jíj kunnen zijn. Want een mens kan "droog staan", kan droog staan in spirituele zin: inspiratie-loos. Er gaat niets van je uit en niets doet je ook meer wat. Het is een dorre boel. Een dor hart. Wat moet je daar aan doen? Een weg aanleggen zegt Jesaja, een rechte weg. Dalen moeten opgehoogd, bergen en heuvels afgegraven. Wat bedoelt hij daarmee? Ik denk: Die dalen zijn de "afwijkingen naar beneden". Het is alles wat onder je niveau is. Het zijn je dips, je depressies. Het zijn ook je misslagen, je fouten, je zonden en dat heeft allemaal met elkaar te maken. Het is nodig om daar uit te komen, om daar bovenuit te stijgen en dat alles achter je te laten. U moet uw best doen "om onbevlekt en onberispelijk te worden aangetroffen, in vrede" voegt de tweede brief van Petrus, waaruit wij in de tweede lezing óók hebben horen voorlezen, ons toe. En wat we hoorden in het evangelie in verband met Johannes, de Voorloper des Heren, dat sluit er ook bij aan. Hij roept, Johannes, de mensen op om zich te laten dopen. En die doop is "een doop tot bekering, tot vergeving van zonden". Die doop, met andere woorden, is dus precies een middel om die "dalen" in mensen op te hogen. Ze "bekenden openlijk hun zonden" zo horen we, die mensen. Ja, zo werkt dat: Het is altijd goed, veelgeliefden, om over je leven na te denken en om het, letterlijk bijna, tegen het licht te houden, tegen het licht van de twee eerste kaarsen van de adventskrans vandaag, tegen het licht van de komende Heer. En als je dan duisternis in jezelf ontwaart, als je dan dingen in jezelf ziet waarvan je denkt: "dat was, dat ís niet goed; dat heb ik verkeerd gedaan" dan is het goed om dat uit te spreken, binnen of buiten de biechtstoel, bij een priester, bij een vriend of een vriendin of bij een onbekende desnoods. Het is maar wat je zoekt en wat je wilt en wat voor jou nú past en goed is. Maar blijf er niet mee zitten. Maak van je hart geen moordkuil. Spreek je uit in waarheid. En dat spreken zal verlossend zijn. En die ander, zeker ook de priester, die zál verlossende woorden spreken, woorden die beantwoorden aan die van jezelf en die ook nog iets toevoegen: bevestiging en vrijspraak. De priester zal dat doen van godswege zelfs.

En hoe zit het dan met die bergen en heuvels die moeten worden afgegraven? Ik denk, veelgeliefden: die zijn het spiegelbeeld van die dalen in ons. Het zijn onze valse pretenties. Het is onze eventuele ópgeblazenheid. Het is onze arrogantie. Het is alles wat niet echt is. Het is het jasje dat te groot is voor jou en dat je dus maar beter uit kunt doen want: dat bén jij niet. En: je beschadigt je ziel en je leven daarmee. Want dan leef je een pseudo-leven, dan leef je een leugen. Ook dát is zonde. Zonde van je leven.

Zíjn, samenvallen met wie je bent. Niet meer. Niet minder. In evenwicht zijn. In rust zijn. In vrede zijn. En ook: heel ontspannen zijn, relaxed zijn, jezelf en anderen en ook God niet onder druk zetten. Want we hebben vaak zoveel haast mensen. Het kan ons niet vroeg genoeg Kerstmis worden. Al dat licht, al die vreugde, al dat lekkers ... we halen het graag naar ons toe. Graag helpen we Onze Lieve Heer een handje en laten we het al Kerstmis worden voordat het Kerstmis ís. Ten onrechte veelgeliefden. Want het is nu Advent - de tijd van het wachten, van het afwachten, van geduld oefenen - en dat kan daarmee trouwens een prachtige en een heel innige tijd zijn. De vier zondagen en alle weekdagen van de Advent, één voor één de kaarsjes aan, niet te vroeg en niet te laat en daarmee ruimte geven aan inkeer, aan békering en aan het verlangen, het authentieke verlangen naar God en Zijn wereld. Precies dáárbij stilstaan. Dat is de zin van de Advent. We stappen er, veelgeliefden, in onze haast zo gemakkelijk overheen ... In de tweede brief van Petrus hoorden we: "De Heer talmt niet met zijn belofte, zoals sommigen menen die van vertraging spreken." Dat zijn dus de ongeduldigen, de stress-kippen, die de zaken op scherp zetten. "Hij heeft geduld met U", zo vervolgt Petrus, "omdat Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat. Hij gunt het ons mensen! Hij gunt het ons zó! - Dat wij tot onze bestemming komen. En die bestemming, veelgeliefden, die ligt en die vinden wij in Hem. Niet in onszelf. Maar in Hem. In Hem van wie wij vol kunnen raken, als we ons eerst leeg weten te maken ... Moge het, veelgeliefden, U allen gegeven zijn. Amen.