Een hart onder de riem (2008)

De uitdrukking "iemand een hart onder de riem steken" is al heel oud en betekent zoveel als "iemand moed geven, iemand bemoedigen". Het hart heeft hier de betekenis van de zetel van moed. Diezelfde betekenis vinden we terug in uitdrukkingen als: hij heeft het hart niet zoiets te doen, hij heeft een groot hart, en: het hart zonk hem in de schoenen.
Een hart onder de riem steken is vermoedelijk als beeldspraak ontleend bij het leger, bij de soldaten. Een soldaat droeg indertijd zijn riem of gordel schuin over het lichaam, de riem liep van de schouder over de borst. Recht over het hart dus. Bij het begin van een veldslag stak men de soldaat een hart onder de riem, men gaf hem dus de nodige moed mee.
Iemand een hart onder de riem steken is tegelijkertijd heel gemakkelijk en heel moeilijk. We kunnen er ons simpel van afmaken door iemand gewoon, vrijblijvend moed toe te wensen: "Het beste, hou je goed, hou de moed erin, het komt allemaal wel in orde." Een uitspraak die ons niet veel moeite kost, maar die ook weinig oplevert.

Minder eenvoudig is het als we mensen in nood écht willen bemoedigen, écht weer moed en hoop willen bieden. Dan moeten we niet alleen een paar mooie woorden uit onze mouw schudden, maar ook bereid zijn echt iets te doen. En dat wordt goed geïllustreerd door de eerste lezing van vandaag, uit Jesaja.
Jesaja was de profeet uit de tijd van de ballingschap, een heel zware tijd voor het volk van Jahweh. En hij kondigt het einde van de ballingschap aan, hij brengt het goede nieuws dat zij weldra naar hun land zullen kunnen terugkeren. Hij steekt zijn volk in nood, een hart onder de riem. Hij brengt goed nieuws, hij brengt een blijde boodschap.
Maar hij geeft ook meteen een opdracht mee. Baan een weg door de woestijn, effen een pad door de steppe. Ieder dal moet worden verhoogd, iedere heuvel geslecht. Een tocht door de woestijn is immers niet eenvoudig. Daar lopen geen wegen, daar moeten wegen worden gemaakt. Jesaja zegt niet alleen: het komt allemaal wel goed. Hij zegt er ook bij: doe iets om dat doel te bereiken. En zo steekt hij een hart onder de riem, zo brengt hij goed nieuws, zo brengt hij zijn volk een blijde boodschap.

Dat is ook wat het woord "evangelie" letterlijk betekent: blijde boodschap. En Marcus brengt ons vandaag het begin van zijn evangelie, het begin van die blijde boodschap. En Marcus begint zijn evangelie bij Johannes de Doper, ook een profeet, of toch minstens een bode. Iemand die de weg moet banen of klaarmaken. En ook Johannes bevindt zich in de woestijn. De woestijn staat in de Bijbel voor het dorre land, waar geen echt leven is. Het land van zondigheid en kwetsbaarheid. Het land waar mensen doorheen moeten om tot het volle leven te komen.
En in die woestijn brengt Johannes een blijde boodschap, brengt hij goed nieuws, steekt hij mensen een hart onder de riem. En ook hij geeft de mensen een opdracht mee. Hij roept hen op zich te laten dopen en tot inkeer te komen. Hij roept hen op zich te bekeren. Hun leven en hun levenswijze te herzien en een nieuwe start te nemen.
Is het ook niet de taak van wie zich vandaag christen noemt, mensen een hart onder de riem te steken? De blijde boodschap te verkondigen, niet alleen met woorden, maar ook met daden? En eigenlijk zelf die blijde boodschap te zijn? Wij hebben in onze tijd die boodschap trouwens hard nodig.

Onze tijd wordt getekend door de angst. Hoe meer de techniek vooruitgaat, hoe groter de angst schijnt te worden. Angst voor een kernoorlog, angst voor milieuvervuiling, angst voor werkloosheid. En mensen gaan dan op zoek naar troost. Bij dokters en psychiaters, in alcohol en drugs, in het opgaan in zijn werk, in moedeloosheid en cynisme.
Is het niet onze taak hier een ander soort troost te bieden? Door echt een hart onder de riem te steken, door echt een blijde boodschap te brengen of te zijn? Neem nu even de campagne van Welzijnszorg. Armoede schaadt de gezondheid. Arm maakt ziek en ziek maakt arm. We kunnen meewarig knikken en denken: dat is juist, maar wat doe ik eraan? Is dat misschien mijn schuld? En een cynicus zou zeggen: ik wil wel een bijdrage storten, maar dat is eigenlijk niet meer dan een druppel op een hete plaat. En de ultieme dooddoener is dan: de politici moeten dat maar oplossen, het is de taak van de staat daar iets aan te doen.

Natuurlijk: de campagne van Welzijnszorg zal de armoede in de wereld of zelfs in onze eigen stad niet oplossen. En het zal nog wel een tijdje zo blijven dat armoede de gezondheid schaadt. Maar dat geeft ons niet het recht helemaal niets te doen. We kunnen tenminste proberen mensen een hart onder de riem te steken. Niet alleen omdat onze financiële bijdrage een directe nood kan lenigen, maar ook – en vooral – omdat wij op die manier mensen kunnen doen ervaren dat zij volwaardig meetellen. Want misschien is dat nog wel veel erger dan arm te zijn of ziek: het gevoel te hebben er niet bij te horen, niet als volwaardig beschouwd te worden, niet meer mee te tellen in onze maatschappij.
En dan is een hart onder de riem steken misschien vooral: de nood van de ander erkennen en ernstig nemen. Niet wegwuiven als onbelangrijk. Maar proberen uitzicht te bieden en hoop. En hopen wil zeggen dat wij ons niet tevreden stellen met de gang van zaken in onze wereld, dat wij ons ook daadwerkelijk willen inzetten om een wereld op te bouwen zoals God die droomt.
Dat wil zeggen dat wij in deze wereld wegen willen banen van gerechtigheid en solidariteit. Dàt is de bekering die van ons wordt gevraagd, veel meer dan alleen maar een geldelijke bijdrage volgende week. Alleen op die manier kunnen wij mensen een blijde boodschap brengen, een blijde boodschap voor hen zijn. Alleen op die manier steken wij hen een hart onder de riem...